ECLI:NL:RVS:2026:5202 Raad van State , 04-09-2026 / BRS.26.004148
Samenvatting
Zaaknummers en partijen: BRS.26.004148 en BRS.26.004149 (ECLI:NL:RVS:2026:5202). Appellant ([appellant], bijgestaan door mr. J.C.E. Hoftijzer) is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2026 (zaak nr. NL24.20215) en verzocht gelijktijdig om een voorlopige voorziening krachtens art. 8:81 Awb, met toepassing van art. 92 Vw 2000. De verweerder is de minister van Asiel en Migratie; eerder had de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 april 2024 zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel (voor bepaalde tijd) opnieuw afgewezen.
Feiten en procesverloop: appellant had aangevoerd dat hij een gegronde vrees voor vervolging had en vroeg om een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris wees de aanvraag af; de rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
Rechtsopvatting en motivering: de voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Kern van de motivering is dat de rechtbank — op grond van de verklaringen van appellant, de relevante landeninformatie, het administratieve dossier en hetgeen ter zitting is besproken — terecht heeft geoordeeld dat appellant zijn gestelde vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Zowel de rechtbank als de minister hebben volgens de voorzieningenrechter een individuele, concrete en objectieve beoordeling gemaakt van de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Appellant heeft de inhoudelijke beoordeling van zijn verklaringen en de landeninformatie niet betwist, zodat daar geen reden was tot vernietiging.
De voorzieningenrechter merkt voorts op dat beantwoording van de door appellant opgeworpen meer algemene juridische vragen (zoals de exacte beoordelingsnorm voor “gegronde vrees” of een verplichting van de rechtbank tot een eigen onderzoek naar feitelijke en juridische grondslag van het asielverzoek) niet nodig is voor de beslissing in deze zaak. Met verwijzing naar het HvJ-EU-recht (Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling) ziet de Afdeling geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het EU‑hof. Ook is geen nadere motivering vereist omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die, gelet op art. 91 lid 2 Vw 2000, in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming algemeen beantwoord moeten worden.
Uitspraak en gevolgen: het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter mr. A. Kuijer, griffier mr. E.L. Iedema, en publiek uitgesproken op 4 september 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.004148 en BRS.26.004149 ECLI:NL:RVS:2026:5202 Datum uitspraak: 4 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juli 2026 in zaak nr. NL24.20215 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 15 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft op basis van de verklaringen van appellant, de relevante landeninformatie, het dossier en het verhandelde ter zitting geoordeeld dat appellant zijn gestelde vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank, evenals de minister, daarbij een individuele, concrete en objectieve beoordeling gemaakt van de vraag of appellant een gegronde vrees voor vervolging heeft. Appellant betwist de inhoudelijke beoordeling van de verklaringen en landeninformatie niet. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen meer algemeen juridische vragen over de beoordeling van het bestaan van ‘gegronde vrees voor vervolging’ en of de rechtbank verplicht was om een eigen onderzoek te verrichten naar de feitelijke en juridische gegrondheid van zijn asielverzoek, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Iedema griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026 915-1163