ECLI:NL:RVS:2026:4793 Raad van State , 18-08-2026 / BRS.26.003664
Samenvatting
Appellant ([appellant], bijgestaan door mr. A.W. IJland, advocaat te Amsterdam) had in bezwaar en beroep tevergeefs gevraagd om een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie wees op 12 december 2025 de aanvraag af. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) verklaarde het beroep van appellant bij uitspraak van 10 juli 2026 ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter, op grond van artikel 8:81 Awb, om een voorlopige voorziening; op het hoger beroep werd artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 toegepast. De zaak is geregistreerd onder BRS.26.003664 en BRS.26.003665 (ECLI:NL:RVS:2026:4793) en is behandeld door voorzieningenrechter mr. M.J.M. Ristra-Peeters; griffier L.W. Lagaaij LLM.
Belangrijkste procespunt en stelling van appellant
- Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de door hem in hoger beroep overgelegde landeninformatie niet in haar beoordeling had betrokken en dat, indien wél in acht genomen, die informatie tot een andere uitkomst zou hebben geleid.
Overwegingen van de voorzieningenrechter / Afdeling
- De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de rechtbankuitspraak. Cruciaal daarbij is dat appellant met de in hoger beroep overgelegde landeninformatie niet het inhoudelijke oordeel van de rechtbank heeft weerlegd; met andere woorden: die aanvullende landeninformatie zou niet tot een andere beslissing hebben geleid.
- Gevolgtrekking: het is voor de beslissing van deze zaak niet nodig om te beantwoorden of de rechter in eerste aanleg in alle gevallen verplicht is zelfstandig onderzoek te doen naar landeninformatie. De Afdeling verwijst naar relevante rechtspraak van het Hof van Justitie (Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10; Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34; Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35) en ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
- Verder hoeft het oordeel niet uitgebreider te worden gemotiveerd omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, Vw 2000).
Beslissing
- Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
- De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Formele afronding
- De uitspraak is op 18 augustus 2026 in het openbaar gedaan en is vastgesteld door voorzieningenrechter mr. M.J.M. Ristra-Peeters; griffier L.W. Lagaaij LLM.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Uitspraak
BRS.26.003664 en BRS.26.003665 ECLI:NL:RVS:2026:4793 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2026 in zaak nr. NL25.61995 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte de door hem in hoger beroep overgelegde landeninformatie niet in haar oordeel heeft betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling zou het betrekken hiervan echter niet tot een ander oordeel leiden. Appellant weerlegt namelijk niet het inhoudelijke oordeel van de rechtbank met deze informatie. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag of de rechter in eerste aanleg altijd gehouden is om in alle zaken een eigen onderzoek te doen naar landeninformatie, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. Lagaaij griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026 936-1163