ECLI:NL:RVS:2026:5075 Raad van State , 01-09-2026 / BRS.26.004254
Samenvatting
Zaakgegevens en partijen BRS.26.004254 en BRS.26.004255, ECLI:NL:RVS:2026:5075, uitspraak 1 september 2026. Appellant is [appellant], bijgestaan door mr. E.R. Weegenaar (advocaat te Den Haag). Tegenpartij is de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter was mr. J.C.A. de Poorter; griffier mr. E.E. Pronk.
Feiten en procesverloop Op 28 maart 2026 wees de minister een aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Appellant voerde daartegen beroep aan bij de rechtbank Den Haag; die rechtbank verklaarde het beroep bij uitspraak van 7 augustus 2026 (zaak nr. NL26.17357) ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met toepassing van artikel 92 Vw 2000, en verzocht gelijktijdig de voorzieningenrechter om het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb.
Rechtsmotivering en oordeel De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ongegrond. De Afdeling neemt uitdrukkelijk de motivering van de rechtbank over, in het bijzonder hetgeen onder 6 van die uitspraak is aangevoerd, en oordeelt dat vernietiging niet aan de orde is omdat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld.
De voorzieningenrechter acht nadere motivering niet noodzakelijk omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept die beantwoorden noodzakelijk maken ter bevordering van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin (art. 91 lid 2 Vw 2000). Evenmin bevat het beroepschrift vragen over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht; dit wordt expliciet gekoppeld aan het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Gelet hierop kan volstaan worden met overname van de eerdere motivering.
Gevolgen van het oordeel Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; het bestreden vonnis van de rechtbank blijft in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister is niet gehouden proceskosten te vergoeden.
Beslissing I. de aangevallen uitspraak wordt bevestigd; II. het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Overige vermeldingen Uitspraak gedaan in het openbaar op 1 september 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.004254 en BRS.26.004255 ECLI:NL:RVS:2026:5075 Datum uitspraak: 1 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 augustus 2026 in zaak nr. NL26.17357 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 7 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter neemt de motivering onder 6 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. De Poorter voorzieningenrechter w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026 1028