ECLI:NL:RVS:2026:3233 Raad van State , 04-06-2026 / BRS.26.002660
Samenvatting
Zaakgegevens ECLI:NL:RVS:2026:3233; BRS.26.002660 en BRS.26.002661. Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak, 4 juni 2026.
Partijen Appellant: aangeduid als [appellant], in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. D.S. Harhangi-Asarfi (advocaat te Rotterdam). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie.
Feiten en procesverloop
- Bij besluit van 18 augustus 2025 verklaarde de minister de asielaanvraag van appellant niet-ontvankelijk (geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd).
- Appellant bracht beroep aan bij de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam). Bij uitspraak van 22 mei 2026 verklaarde de rechtbank dat beroep ongegrond.
- Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb). Het hoger beroep is behandeld met toepassing van art. 92 Vw 2000.
Overwegingen van de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en dat dit oordeel geen nadere motivering behoeft omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept die beantwoording vereisen in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in het algemeen (art. 91, tweede lid, Vw 2000).
- Evenmin stelt het hogerberoepschrift vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen (onder verwijzing naar het HvJ-arrest Remling van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
- Op grond van het voorgaande verklaarde de voorzieningenrechter het hoger beroep ongegrond en bevestigde hij de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing
- De voorzieningenrechter bevestigt de bestreden uitspraak van de rechtbank;
- het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen;
- de minister is geen proceskosten verschuldigd.
Formele afhandeling De beslissing is vastgesteld door mr. J. Luijendijk (voorzieningenrechter) in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven (griffier) en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
BRS.26.002660 en BRS.26.002661 ECLI:NL:RVS:2026:3233 Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant], appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 22 mei 2026 in zaak nr. NL25.40432 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.S. Harhangi-Asarfi, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Luijendijk voorzieningenrechter
w.g. Van Bekhoven griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
959