Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:5249

ECLI:NL:RVS:2026:5249 Raad van State , 07-09-2026 / BRS.26.004264
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Zaakgegevens BRS.26.004264 en BRS.26.004266, ECLI:NL:RVS:2026:5249; uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 7 september 2026. Appellant: [betrokkene], bijgestaan door mr. J.E. Groenenberg (advocaat, Nieuw-Vennep). Tegenpartij: de minister van Asiel en Migratie.

Feiten en procesverloop

  • Besluit minister 16 juni 2026: appellant mag de beslissing op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in Nederland afwachten.
  • Besluit minister 15 juli 2026: het tegen dat besluit ingediende bezwaar van appellant wordt kennelijk ongegrond verklaard en zijn asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard.
  • Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) 13 augustus 2026: verklaart het beroep van appellant tegen dat bezwaar-besluit ongegrond.
  • Appellant stelt hoger beroep bij de Afdeling en verzoekt gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening (op grond van artikel 8:81 Awb en met toepassing van artikel 92 Vw 2000).

Overwegingen van de voorzieningenrechter

  • De voorzieningenrechter bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; het hoger beroep is ongegrond.
  • Ten aanzien van de belangrijkste (derde) grief oordeelt de voorzieningenrechter dat appellant geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die zijn opvolgende asielaanvraag ondersteunen. Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, kon de rechtbank terecht de aanvraag en de bezwaarprocedure als niet-ontvankelijk/kennelijk ongegrond beoordelen.
  • Door het ontbreken van nieuwe elementen bestaat er geen noodzaak om algemene juridische vragen te beantwoorden over de maatstaf van ‘gegronde vrees voor vervolging’ of over de vraag of de rechtbank verplicht was tot een eigen onderzoek naar de feitelijke en juridische grondslag van het asielverzoek. De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar relevante arresten van het Hof van Justitie (Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling) en ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
  • Het oordeel behoeft geen nadere motivering omdat de ingebracht klachten geen vragen bevatten die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen relevante vragen op over uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen.

Besluit I. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. II. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

  • De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Formele afhandeling Uitgesproken door mr. M.J.M. Ristra‑Peeters (voorzieningenrechter) in aanwezigheid van mr. N.A. de Jong (griffier) op 7 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RVS:2026:5075
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
28-08-2026 96% soortgelijk
Zaakgegevens en partijen BRS.26.004254 en BRS.26.004255, ECLI:NL:RVS:2026:5075, uitspraak 1 september 2026. Appellant is [appellant], bijgestaan door mr. E.R. Weegenaar (advocaat te Den Haag). Tegenpartij is de minister van Asiel en Migratie. De...
ECLI:NL:RVS:2026:5202
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
02-09-2026 95% soortgelijk
Zaaknummers en partijen: BRS.26.004148 en BRS.26.004149 (ECLI:NL:RVS:2026:5202). Appellant ([appellant], bijgestaan door mr. J.C.E. Hoftijzer) is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2026 (zaak...
ECLI:NL:RVS:2026:3429
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
15-06-2026 95% soortgelijk
Zaakgegevens en partijen BRS.26.002683 / BRS.26.002684, ECLI:NL:RVS:2026:3429, uitspraak van 16 juni 2026 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Appellanten: [betrokkene 1] en [betrokkene 2], bijgestaan door...
ECLI:NL:RVS:2026:4326
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
23-07-2026 94% soortgelijk
Zaakgegevens BRS.26.003546 en BRS.26.003549, ECLI:NL:RVS:2026:4326, uitspraak voorzieningenrechter Afdeling bestuursrechtspraak, 27 juli 2026. Appellant: [verzoeker] (vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat te Papendrecht). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie. Bestreden uitspraak...
ECLI:NL:RVS:2026:3233
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
04-06-2026 94% soortgelijk
Zaakgegevens ECLI:NL:RVS:2026:3233; BRS.26.002660 en BRS.26.002661. Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak, 4 juni 2026. Partijen Appellant: aangeduid als [appellant], in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. D.S. Harhangi-Asarfi (advocaat te Rotterdam)....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie bepaald dat appellant de beslissing op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in Nederland mag afwachten.

Uitspraak

BRS.26.004264 en BRS.26.004266 ECLI:NL:RVS:2026:5249 Datum uitspraak: 7 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [betrokkene], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 augustus 2026 in zaak nr. NL26.39694 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 juni 2026 heeft de minister bepaald dat appellant de beslissing op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in Nederland mag afwachten. Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.        De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat appellant geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. 1.1.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen meer algemeen juridische vragen over de beoordeling van het bestaan van ‘gegronde vrees voor vervolging’ en of de rechtbank verplicht was om een eigen onderzoek te verrichten naar de feitelijke en juridische gegrondheid van zijn asielverzoek, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.        Wat appellant verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). 3.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        bevestigt de aangevallen uitspraak; II.        wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. De Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026 981