ECLI:NL:RVS:2026:4973 Raad van State , 25-08-2026 / BRS.26.003913
Samenvatting
Zaaknummers BRS.26.003913 en BRS.26.003914 (ECLI:NL:RVS:2026:4973) — 25 augustus 2026
Appellant: [betrokkene], bijgestaan door mr. P.M. Langereis (advocaat te Zoetermeer). Verweerder: minister van Asiel en Migratie. Bestuursrechtelijke procedure: verzoek om voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb) en hoger beroep met toepassing van art. 92 Vw 2000 tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) van 23 juli 2026, zaak nr. NL25.60046. Ontvankelijkheid en belang: appellant kreeg bij besluit van 3 december 2025 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen; tegen die afwijzing was eerder bij de rechtbank beroep ingesteld en ongegrond verklaard.
Belangrijkste geschilpunten en motivering
- Grief 1: appellant stelde dat de rechtbank had nagelaten artikel 4, vijfde lid, onder d, van de Kwalificatieverordening toe te passen en onvoldoende te motiveren waarom de termijn tussen zijn veronderstelde binnenkomst in Nederland (3 maart 2023) en zijn asielaanvraag (24 maart 2023) afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn vrees. De Afdeling oordeelt dat deze grief faalt: de rechtbank heeft wél gemotiveerd dat iemand die aanspraak maakt op internationale bescherming in de regel onmiddellijk actie moet ondernemen om die bescherming te verkrijgen, en dat het onbekend zijn met procedures in deze zaak geen verschoonbare reden vormt voor de vertraging. Daarmee is de motivering toereikend en leidt het beroep niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
- Prejudiciële vragen / EU-recht: appellants vraag over het verschil tussen artikel 4(5)(d) van de Kwalificatierichtlijn en de Kwalificatieverordening is volgens de Afdeling niet beslissend voor de uitkomst van de zaak. Gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie (Cilfit 1982; Consorzio Italian Management 2021; Remling 24-3-2026) bestaat er geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
- Grieven 2 en 3: ook deze grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak. De Afdeling geeft geen nadere motivering omdat het hogerberoepschrift op die punten geen vragen oproept die beantwoorden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming (art. 91, tweede lid, Vw 2000). Evenmin gaat het om vragen omtrent uitleg of geldigheid van Unierecht (zoals in Remling punt 24).
Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.
Procedurele slotgegevens Uitspraak gedaan door mr. A.K. Kuijer (voorzieningenrechter), in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman (griffier); uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.003913 en BRS.26.003914 ECLI:NL:RVS:2026:4973 Datum uitspraak: 25 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [betrokkene], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 juli 2026 in zaak nr. NL25.60046 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft nagelaten om artikel 4, vijfde lid en onder d, van de Kwalificatieverordening toe te passen, omdat de rechtbank in de uitspraak niet heeft gemotiveerd waarom het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees dat hij op 3 maart 2023 Nederland is ingereisd en hij op 24 maart 2023 pas een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betoog slaagt alleen al niet, omdat de rechtbank wel degelijk heeft gemotiveerd waarom het moment waarop hij zijn asielaanvraag indiende afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat van iemand die stelt dat hij internationale bescherming nodig heeft, verwacht mag worden dat hij direct actie onderneemt om die bescherming te krijgen. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in dit geval geen verschoonbare reden is dat appellant de procedures niet kende. 1.2. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verschil tussen artikel 4, vijfde lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn en de Kwalificatieverordening, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.3. De grieven 2 en 3 leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift op dit punt geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.K. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier. w.g. Kuijer voorzieningenrechter w.g. Koelman griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026 987