ECLI:NL:RVS:2026:5032 Raad van State , 27-08-2026 / BRS.26.004077
Samenvatting
BRS.26.004077 en BRS.26.004079, ECLI:NL:RVS:2026:5032 (27 augustus 2026)
Partijen en procedure
- Appellant: [appellant], bijgestaan door mr. E. Ceylan, advocaat te Utrecht.
- Tegenpartij: de minister van Asiel en Migratie.
- Besluit van de minister: 20 oktober 2025 afwijzing van appellants aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
- Rechtbank: uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) van 29 juli 2026 (zaaknr. NL25.52508) verklaart het beroep van appellant ongegrond.
- Hoger beroep en verzoek: appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht gelijktijdig om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 Awb); het hoger beroep werd behandeld met toepassing van artikel 92 Vw 2000.
Feiten en hoofdgeschilpunten
- Appellant richtte in hoger beroep meerdere griefen aan, waarvan de tweede en derde grief betrekking hadden op de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van haar asielmotieven had beoordeeld en de vraag of die beoordeling in strijd was met Unierecht (met name artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn).
Overwegingen en rechtsmotivering
- De voorzieningenrechter oordeelt dat het hoger beroep geen aanleiding geeft tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De klachten in grief 2 en 3 over de geloofwaardigheidsbeoordeling kunnen niet tot een ander eindresultaat leiden omdat de minister in haar besluit alle door appellant aangevoerde asielmotieven wél als geloofwaardig heeft aangemerkt. Met andere woorden: de uitkomst van de zaak staat niet of slechts niet doorslaggevend op de beoordeling van de geloofwaardigheid zelf.
- Omdat de beantwoording van appellants vraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn niet nodig is voor de oplossing van het geschil, bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. De voorzieningenrechter verwijst ter onderbouwing naar de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie (Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335; Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799; Remling, ECLI:EU:C:2026:243) en concludeert dat de criteria voor het doen van een prejudiciële verwijzing niet zijn vervuld nu beantwoording van de Unievraag niet beslissend is voor het geschil.
- Voorts behoeft het oordeel van de voorzieningenrechter geen nadere gemotiveerde uitwerking, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die volgens artikel 91, tweede lid, Vw 2000 in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in het algemeen beantwoord moeten worden.
Beslissing
- Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
- De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
- De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Formele afhandeling
- Beslissing door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
- Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.004077 en BRS.26.004079 ECLI:NL:RVS:2026:5032 Datum uitspraak: 27 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2026 in zaak nr. NL25.52508 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 29 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant klaagt in haar tweede en derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid in deze zaak heeft beoordeeld, niet in strijd is met het Unierecht. Een oordeel over de wijze waarop de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht kan niet tot een andere uitkomst van het hoger beroep leiden. De minister heeft alle asielmotieven namelijk geloofwaardig geacht. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier. w.g. Soffers voorzieningenrechter w.g. Van den Oosterkamp griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026 941-1151