ECLI:NL:RBZWB:2026:8930 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 26-004705
Samenvatting
De enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (zittingsplaats Middelburg; parketnummer 02-400811-24, raadkamernummer 26‑004705) heeft bij beslissing van 27 mei 2026 het verzoek van [verzoeker] (geboren [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda) toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.662,11.
Procedurele feiten
- Verzoeker diende op 12 februari 2026 een verzoek in op grond van art. 530 Sv om vergoeding van kosten: € 2.837,11 voor rechtsbijstand en een forfait voor het verzoek van € 420,00 of € 825,00 bij behandeling in raadkamer.
- De zaak tegen verzoeker was eerder door het Openbaar Ministerie geseponeerd (kennisgeving sepot d.d. 20 februari 2025). Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar zelf niet verschenen; mr. A.M.J. Joris trad op als gemachtigd raadsman.
- De officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, heeft schriftelijk verweer gevoerd en het verzoek (mede vanwege termijnoverschrijding) niet‑ontvankelijk geacht.
- De raadkamer hield onderzoek op 13 mei 2026; raadsman en officier zijn gehoord.
Ontvankelijkheid
- De rechtbank overweegt dat art. 243 lid 2 Sv ziet op situaties waarin al een rechter bij de zaak is betrokken en niet op een sepotbeslissing; er bestond dus geen verplichting tot betekening van de sepot aan verzoeker.
- Wel is vast komen te staan dat uit de stukken niet kan worden bewezen op welke datum de sepotkennisgeving aan verzoeker is verzonden. De raadsman ontving de kennisgeving per e‑mail op 12 november 2025 en verklaarde dat verzoeker medio november 2025 kennis nam van de beslissing.
- Gelet op het ontbreken van bewijs dat verzoeker eerder op de hoogte was en het door raadsman ontvangen bericht van 12 november 2025, is het per e‑mail van 12 februari 2026 ingediende verzoek binnen drie maanden na ontvangst ingediend. De rechtbank verklaart verzoeker ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling en beslissing
- Op grond van art. 530 Sv kan vergoeding worden toegekend voor onder meer kosten van een raadsman; art. 534 lid 1 Sv vereist dat toekenning plaatsvindt indien er gronden van billijkheid zijn, waarbij alle omstandigheden meewegen.
- De rechtbank vindt het gevraagde bedrag voor rechtsbijstand (€ 2.837,11) voldoende onderbouwd en billijk en kent dit volledig toe.
- Voor de kosten verbonden aan indiening en behandeling in de raadkamer kent de rechtbank het forfaitaire bedrag van € 825,00 toe.
- Totaal toegekend: € 3.662,11. Uitbetaling wordt bevolen naar [rekeningnummer] ten name van [naam], onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Slot
- De beslissing is genomen door mr. J. Bergen (rechter), griffier mr. D.J. Gentenaar van der Landen. Tegen deze beslissing staat het Openbaar Ministerie hoger beroep toe binnen 14 dagen na dagtekening; verzoeker kan binnen één maand na betekening hoger beroep instellen bij het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
verzoekschrift schadevergoeding ex art. 530 Sv toewijzen
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer: 02-400811-24 raadkamernummer: 26-004705
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] (Marokko), woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: •het op 12 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
-€ 2.837,11, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; -€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; •de kennisgeving sepot van 20 februari 2025; •de schriftelijke reactie van de officier van justitie; •de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 13 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. A.M.J. Joris als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen. De advocaat heeft desgevraagd in raadkamer nader toegelicht waarom het verzoekschrift langer dan drie maanden na de datum van de sepotbeslissing is ingediend. De sepotbeslissing zou op 20 februari 2025 per post zijn verzonden naar het adres waar verzoeker tot 26 maart 2025 stond ingeschreven, maar hij verbleef daar op dat moment feitelijk niet meer. De raadsman is pas 12 november 2025 geïnformeerd over het bestaan van de sepotbeslissing en verzoeker heeft daardoor pas medio november 2025 kennis genomen van die beslissing. Binnen drie maanden na ontvangst van de beslissing heeft de verdediging onderhavig verzoekschrift ingediend. Nu de sepotbeslissing niet aan verzoeker is betekend, hetgeen had moeten gebeuren gelet op artikel 243 lid 3 Sv, dient het verzoekschrift ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.
2 De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.
Anders dan de raadsman stelt, ziet artikel 243 lid 2 Sv niet op de sepotbeslissing, maar op de situatie dat een rechter al is betrokken bij de zaak. Dat is hier niet het geval, zodat er geen verplichting bestond om de sepotbeslissing aan verzoeker te betekenen.
Uit de stukken blijkt echter niet op welke datum de sepotbeslissing aan verzoeker is verstuurd. De advocaat van verzoeker heeft de kennisgeving pas ontvangen per mail van 12 november 2025 en stelt dat verzoeker eerst daarna, te weten medio november 2025, op de hoogte is geraakt van de beslissing. Nu niet kan worden vastgesteld dat verzoeker al voor medio november 2025 op de hoogte was van de beslissing en ook de raadsman de beslissing pas op 12 november 2025 heeft ontvangen, is het per mail van 12 februari 2026 ingediende verzoek schadevergoeding tijdig ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 2.837,11 verzocht voor vergoeding van kosten rechtsbijstand. Gelet op de nadere toelichting van de advocaat is de rechtbank van oordeel dat het verzochte bedrag in voldoende mate is onderbouwd en de rechtbank ook billijk voorkomt. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 3.662,11, bestaande uit:
- € 2.837,11 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 3.662,11 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is op 27 mei 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.