ECLI:NL:RBZWB:2026:8940 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 26-000255
Samenvatting
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg (parketnr. 02-241410-25, raadkamernr. 26-000255) heeft bij beslissing van de enkelvoudige raadkamer op 27 mei 2026 een verzoek ex artikel 530 Sv van [verzoeker] (geb. [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat te Breda) toegewezen.
Procedurele kerngegevens
- Verzoekschrift ingediend bij de griffie op 5 januari 2026, strekkende tot vergoeding op grond van art. 530 Sv voor onder meer kosten rechtsbijstand (€5.172,75) en een forfaitaire vergoeding voor het indienen/ behandelen van het verzoek (keuze: €420,00 of €825,00 bij behandeling in raadkamer). Het verzoek had betrekking op een zaak die op 6 oktober 2025 met een sepot is medegedeeld.
- De raadkamer hield onderzoek op 13 mei 2026; gehoord werden mr. M. Nieuwenhuis (officier van justitie) en mr. R.F.M. Gerritsen (gemachtigd advocaat van verzoeker). Verzoeker zelf was op correcte oproeping niet verschenen.
- Beslissende rechter: mr. J. Bergen; griffier: mr. D.J. Gentenaar van der Landen.
Feiten en stellingnamen
- De zaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr (geen vordering tot toepassing van die bepaling).
- Advocaat Gerritsen voerde aan dat het dossier complex was (zedenzaak), dat er gedurende circa zes maanden behandelcontacten en meerdere (telefonische) besprekingen met verzoeker hebben plaatsgevonden, dat literatuuronderzoek nodig was en dat na het sepot overleg en communicatie met het OM over inzage van het dossier plaatsvond. Ook is besproken of alsnog zitting zou worden gevraagd vanwege het belang van een mogelijke vrijspraak.
- De officier van justitie erkende de complexiteit na toelichting maar betoogde dat het gevorderde aantal declarabele uren bovenmatig was; hij verzocht matiging tot 12 declarabele uren als billijk bedrag.
Rechtsgrond en motivering
- De rechtbank overwoog bevoegd te zijn omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank was vervolgd of daarvoor in behandeling was. Artikel 530 Sv biedt vergoeding van onder meer kosten van een raadsman en art. 534 lid 1 Sv vereist toekenning indien naar oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn, waarbij alle omstandigheden betrokken worden.
- Gelet op omvang en complexiteit van het dossier acht de rechtbank de gevorderde kosten van rechtsbijstand van €5.172,75 voldoende onderbouwd en billijk. De rechtbank heeft geen matiging toegepast zoals door het OM voorgesteld. Voor de kosten verbonden aan de behandeling/indiening van het verzoek in raadkamer kent de rechtbank het forfaitaire bedrag van €825,00 toe.
Beslissing
- Toewijzing van het verzoek ex art. 530 Sv tot een totaalbedrag van €5.997,75, bestaand uit: €5.172,75 (kosten rechtsbijstand) en €825,00 (kosten verbonden aan indiening en behandeling van het verzoek in raadkamer).
- Uitbetaling: het bedrag zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam], onder vermelding van “[vermelding]”.
Beroepsmogelijkheid
- Tegen de beslissing kan het Openbaar Ministerie binnen 14 dagen na dagtekening hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch; verzoeker kan binnen één maand na betekening in hoger beroep gaan.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
verzoekschrift schadevergoeding ex art. 530 Sv toewijzen
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer: 02-241410-25 raadkamernummer: 26-000255
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat te Breda (Stationslaan 1a2, 4815 GW Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 5 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding **ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering **(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
-
€ 5.172,75, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
-
€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
-
de kennisgeving sepot van 6 oktober 2025;
-
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
-
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 13 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. R.F.M. Gerritsen als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat heeft aangevoerd dat er sprake was van een complexe zaak en er twijfels bestonden omtrent de processtrategie. De zaak heeft zes maanden geduurd, alvorens de sepotbeslissing volgde. Gedurende deze tijd is de zaak een aantal keer met verzoeker (telefonisch) besproken. Na de sepotbeslissing is met verzoeker besproken en overwogen om de zaak alsnog op zitting te krijgen. Het betrof een zedenzaak en verzoeker zou meer gebaat zijn bij een vrijspraak. Daarnaast heeft er literatuuronderzoek moeten plaatsvinden en is er na het sepot gecommuniceerd met het Openbaar Ministerie voor inzage van het dossier.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel na toelichting van de advocaat sprake lijkt te zijn van een complexe zaak, de gevorderde uren bovenmatig zijn. Voorgaande maakt dat wordt verzocht de uren te matigen tot 12 declarabele uren, hetgeen billijk wordt geacht.
2 De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Gelet op de omvang van het dossier en de complexiteit daarvan is de rechtbank van oordeel dat het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 5.172,75 in voldoende mate is onderbouwd en de rechtbank billijk voorkomt. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 5.997,75, bestaande uit:
- € 5.172,75 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 5.997,75 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is op 27 mei 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.