ECLI:NL:RBZWB:2026:5284 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-04-2026 / 26-001260
Samenvatting
De enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Middelburg; parketnr. 02-210713-25, raadkamernr. 26-001260) heeft bij beslissing van 7 april 2026 het verzoek van [verzoeker] (geboren [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.W. van Voorst Vader, Havenfort 2, 4561 GD Hulst) om vergoeding krachtens art. 530 Sv toegewezen. Verzoeker was in eerste aanleg door de politierechter op 24 december 2025 vrijgesproken van een verdenking van mishandeling met behulp van een auto; er is geen straf of maatregel opgelegd en art. 9a Sr is niet toegepast.
Het verzoekschrift werd op 11 december 2025 ingediend en eiste onder meer vergoeding van kosten rechtsbijstand ad € 2.843,90 en een forfaitaire vergoeding voor de indiening/ behandeling van het verzoek ad € 420,00 (of € 825,00 bij behandeling in raadkamer). De zaak is op 24 maart 2026 in de raadkamer behandeld; namens verzoeker trad mr. R.W. van Voorst Vader op, namens het Openbaar Ministerie mr. R.S. Jacobs. Verzoeker zelf was ter zitting niet aanwezig maar behoorlijk opgeroepen. De raadsman lichtte ter zitting toe dat sprake was van bestudering van jurisprudentie (bedrag genoemd € 134,30) vanwege de specifieke aard van de zaak; de officier van justitie stelde zich op het standpunt dat dat onderdeel niet voor vergoeding in aanmerking komt, doch gaf aan ten aanzien van de overige kosten geen verzet.
De rechtbank overwoog procedureel bevoegd te zijn (aangezien de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd) en bracht de relevante wettelijke maatstaven in aanmerking: art. 530 Sv (vergoeding van reis- en verblijfskosten, daadwerkelijk geleden schade door tijdverzuim, en kosten raadsman tenzij toegevoegd) en art. 534 lid 1 Sv (toekenning op grond van billijkheid, rekening houdend met alle omstandigheden). Hoewel de rechtbank in het algemeen terughoudend is met het vergoeden van kosten voor studie van jurisprudentie, achtte zij die kosten in dit concrete geval wel toewijsbaar gelet op de specifieke omstandigheden en de toelichting van de raadsman ter zitting. Het overige gevraagde bedrag voor rechtsbijstand vond de rechtbank voldoende onderbouwd en billijk.
De beslissing: toewijzing van het verzoek tot een totaalbedrag van € 3.668,90, bestaande uit € 2.843,90 aan kosten rechtsbijstand en € 825,00 forfait voor de indiening en behandeling van het verzoek in de raadkamer. Het bedrag zal worden overgemaakt op rekening NL07 ABNA [nummer] ten name van Derdenrekening De Rechter Advocaten te Hulst/Terneuzen onder vermelding van “ref. [kenmerk]”. De beslissing is genomen door mr. J. Bergen (rechter) in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge (griffier). Tegen de beslissing staat het hoger beroep open: het Openbaar Ministerie kan binnen 14 dagen bij het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch hoger beroep instellen; verzoeker binnen een maand na betekening.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verzoekschrift 530 Sv toewijzing.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer: 02-210713-25 raadkamernummer : 26-001260
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.W. van Voorst Vader advocaat te Hulst, (Havenfort 2, 4561 GD Hulst),
hierna te noemen: de verzoeker.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 11 december 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding **ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering **(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
-
€ 2843,90, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
-
€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
-
het vonnis van de politierechter van 24 december 2025, waarbij verzoeker is vrijgesproken,
-
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
-
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en mr. R.W. van Voorst Vader als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting geven met betrekking tot de gevraagde kosten voor rechtsbijstand. Er is tijd besteed aan studie jurisprudentie, omdat het een specifieke zaak betrof. Verzoeker werd verdacht van mishandeling met behulp van een auto.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kosten voor studie van jurisprudentie (€ 134,30) niet in aanmerking komen voor vergoeding. Het verzoek kan voor het overige worden toegewezen. Ter zitting heeft de officier van justitie zich voor wat betreft de kosten voor het bestuderen van jurisprudentie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2 De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank is van oordeel dat doorgaans kosten voor studie van jurisprudentie niet in aanmerking komen voor vergoeding. Echter in dit geval zal de rechtbank deze kosten toewijzen, gelet op de specifieke situatie van het geval en de toelichting van de raadsman ter zitting. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand is ook voor het overige deel in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 3668,90, bestaande uit:
- € 2843,90 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van **€ 3668,90 **zal worden overgemaakt op rekeningnummer NL07 ABNA [nummer] ten name Derdenrekening De Rechter Advocaten te Hulst/Terneuzen onder vermelding van “ref. [kenmerk] ”;
Deze beslissing is op 7 april 2026 genomen door mr. J. Bergen rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.