ECLI:NL:PHR:1996:67 Parket bij de Hoge Raad , 21-05-1996 / 102.924
Samenvatting
Verzoeker J.M. (hierna: verzoeker), bij arrest van het hof te ’s‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van tien jaar, heeft bij de Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld; namens hem trad mr. B.R. Angad Gaur op. Het oordeel van de Procureur‑Generaal (mr. Meijers) bevat de volgende overwegingen en conclusies.
Eerste middel: verzoeker betoogt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt en in het bijzonder dat het causaal verband tussen de aan hem (en mededader M.) verweten gedragingen en de dood van het slachtoffer niet concreet is vastgesteld. De Procureur‑Generaal wijst dit af. Hij verwijst naar door het hof in zijn motivering genoemde bewijsmiddelen (onder 3, 4, 14, 16 en 17) waaruit ook zonder definitief deskundigenbericht voldoende is af te leiden dat de gedragingen van verzoeker en/of een of meer mededaders de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt. Omdat het hof bewezen heeft verklaard dat de gedragingen door verzoeker en/of medeplegers zijn verricht, ontbreekt daarnaast feitelijke grondslag voor de klachtspecifieke bewering dat verzoeker persoonlijk het slachtoffer met een voorwerp heeft geslagen. Uit dezelfde bewijsmiddelen kon het hof ook opzet op de dood van het slachtoffer afleiden. Het middel faalt.
Tweede middel: verzoeker stelt dat een bewijsoverweging “onder de streep” betreffende de betrouwbaarheid van een bewijsstuk ontoereikend is gemotiveerd. De Procureur‑Generaal wijst dit van de hand en merkt vooreerst op dat een zodanige bewijsoverweging niet per se op zelfstandige bewijsmiddelen hoeft te steunen, mits de daaraan ten grondslag gelegde feitelijke gegevens tijdens de terechtzitting ter sprake zijn gekomen (aanhaling Knigge en jurisprudentie, waaronder HR NJ 92.530 en HR DD 95.334). Uit het proces‑verbaal van de eerste aanleg blijkt dat die omstandigheden wel degelijk aan de orde zijn gesteld: het hof heeft onder meer een beknopte inhoud gegeven van een “moeder”-proces‑verbaal (nr. 04/07/93‑44) met verklaringen van onder meer Van de Luijtgaarden, die daarin verklaart betrokken te zijn geweest bij overvallen en namen van medeverdachten te hebben genoemd. Het middel faalt.
Derde middel: een verwijzing naar een in een andere zaak ingediende schriftuur kan niet als middel van cassatie gelden; derhalve komt dit middel niet voor inhoudelijke behandeling in aanmerking (aanhaling HR‑jurisprudentie NJ 82.532 en 88.876).
Slotconclusie: de twee behandelbare cassatiemiddelen worden door de Procureur‑Generaal gemotiveerd verworpen; hij treft geen ambtshalve vernietigingsgronden aan. Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Uitspraak
J.M. Nr. 102.924 Zitting 21 mei 1996 Bij vervroeging
Conclusie inzake:
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 11 juli 1995 is verzoeker door het hof te 's-Hertogenbosch terzake van medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar.
2. Namens hem heeft mr B.R. Angad Gaur, advocaat te 's-Gravenhage, middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het **eerste middel **behelst de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
De klacht dat het causaal verband tussen de aan verzoeker (en zijn mededaders, M.) verweten gedragingen en de dood van het slachtoffer niet concreet vaststaat treft geen doel. Ik wijs op de door het hof onder 3, 4, 14, 16 en 17 gebezigde bewijsmiddelen waaruit het hof - ook zonder een definitief deskundigenbericht - kon afleiden dat de door verzoeker en zijn mededaders verrichte gedragingen de dood van het slachtoffer ten gevolge hadden.
Nu het hof bewezen heeft verklaard dat de gedragingen door verzoeker
4. Het **tweede middel **miskent dat een bewijsoverweging "onder de streep" met betrekking tot de betrouwbaarheid van een gebezigd bewijsmiddel niet op bewijsmiddelen behoeft te steunen en dat voldoende is dat de daaraan ten grondslag gelegde feitelijke gegevens op de terechtzitting "ter sprake" zijn geweest, vgl. Knigge, Beslissen en motivering, p. 160-162 en de daar genoemde jurisprudentie alsmede HR NJ 92.530 en HR DD 95.334. Uit het proces-verbaal der terechtzitting in eerste aanleg blijkt overigens dat de in het middel bedoelde omstandigheid ter terechtzitting ter sprake is geweest nu daar de korte inhoud is meegedeeld van onder meer 'een "moeder"-proces- verbaal nr. 04/07/93-44, inhoudende sub-processen-verbaal met bijlagen van de gemeentepolitie Breda, afdeling Centrale Recherche', dat onder meer als verklaring van Van de Luijtgaarden inhoudt (doorgenummerde bladzijden 662 en 663) "Ik heb tot op heden altijd een eerlijke verklaring afgelegd. Ik ben inderdaad betrokken geweest bij een overval. Ik heb daarover reeds verklaard. Ook toen heb ik mijn aandeel duidelijk gemaakt." en "Iedereen die zegt dat ik iets met deze zaak te maken heb liegt! Mogelijk heeft het wat te maken met de verklaringen die ik tot op heden heb afgelegd over de overvallen. Misschien dat iemand kwaad is over de inhoud van mijn verklaringen. Ik heb namelijk een aantal verklaringen afgelegd over de wijze waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. Daarbij heb ik toen namen van mede verdachten genoemd."
Het middel faalt.
5. Het "derde middel" komt niet voor bespreking in aanmerking omdat een verwijzing naar een in een andere zaak ingediende schriftuur niet als middel van cassatie kan worden aangemerkt, vgl. HR NJ 82.532 en 88.876.
6. Nu de twee cassatiemiddelen - die door Uw Raad op de wijze voorzien bij art. 101a RO kunnen worden behandeld - geen doel treffen en ik geen gronden heb aangetroffen waarop Uw Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,