Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:1996:66

ECLI:NL:PHR:1996:66 Parket bij de Hoge Raad , 21-05-1996 / 102.916
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Verzoeker (J.M.), bij arrest van 11 juli 1995 door het gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag, liet door mr. G. Spong cassatie instellen. Het cassatiemiddel richtte zich voornamelijk tegen het gebruik door het hof van eerder door [betrokkene 8] afgelegde politieverhoren (bewijsmiddelen 11–13). [betrokkene 8] had deze verklaringen op 30 mei 1994 bij de rechter‑commissaris ingetrokken met de mededeling dat zij onder druk had verklaard; zij werd evenwel niet ambtshalve als getuige opgeroepen.

Het hof had de politieverklaringen voor het bewijs gebruikt omdat: (a) [betrokkene 8] tijdens langdurige verhoren talrijke bijzonderheden had genoemd die later overeenkwamen met andere bewijsmiddelen; (b) de intrekking bij de rechter‑commissaris bestond uit een summiere bewering van druk, welke het hof onaannemelijk achtte gelet op haar eerdere ervaring met politieverhoren en het onwaarschijnlijke karakter van vrijwillige zelfbelasting nu het om een zwaar feit (zelfs als medeplichtige) gaat; en (c) de betrokkenheid van verzoeker niet uitsluitend op die verklaringen berustte maar ook werd ondersteund door verklaringen van de tijdens het hoger beroep gehoorde getuigen Van Houtum en Niehorster (bewijsmiddelen 14–17) en andere stukken.

De eerste klacht — dat het hof de verklaringen van [betrokkene 8] niet had mogen gebruiken zonder haar ambtshalve dagvaarden, mede gegrond op HR‑jurisprudentie (onder meer NJ 94.427) — faalt omdat de verklaringen doorslaggevend werden gesteund door overige bewijsmiddelen en het hof voorts aannemelijk achtte dat de ingetrokken verklaringen betrouwbaar waren; daarom was ambtshalve oproepen niet geboden.

Een tweede klacht betrof de door het hof meegewogen omstandigheid dat [betrokkene 8] eerder ervaring met politieverhoren had opgedaan. Het hof gebruikte deze omstandigheid niet als separaat beslissend argument, maar ter onderbouwing van de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar bewering dat zij onder druk had verklaard. De verwijzing in het middel naar HR NJ 82.591 (betrekking hebbend op het ontbreken van cautie en het onterecht veronderstellen dat een vaker veroordeelde verdachte zijn rechten kent) is niet toepasbaar; hier gaat het om de aannemelijkheid van een intrekking wegens vermeende druk, niet om kennis van rechten.

Voorts klaagt het middel dat uit het proces‑verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat die verhoren ter sprake zijn geweest. Het hof verwees terecht naar artikel 417 lid 1 Sv en de bij de eerste aanleg gegeven korte inhoud van een ‘moeder‑proces‑verbaal’ waarin delen van de verklaring van [betrokkene 8] zijn opgenomen; tevens zijn in het vonnis citaten van haar eerdere verklaringen opgenomen die haar betrokkenheid en eerdere openheid ondersteunen.

De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad vond geen gronden voor ambtshalve vernietiging. Samenvattend oordeelt de conclusie dat het cassatiemiddel faalt en het beroep verworpen moet worden: de politieverklaringen van [betrokkene 8] mochten in het bewijs worden betrokken, waren volgens het hof betrouwbaar en werden bovendien door andere verklaringen en bewijsmiddelen gesteund, zodat geen verplichting bestond tot ambtshalve oproep als getuige.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:PHR:1996:65
Strafrecht
10-09-2026 88% soortgelijk
De zaak betreft J.M. (nr. 102.915). Bij arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 is verzoeker veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag en bestraft met tien jaar gevangenisstraf. Tegen...
ECLI:NL:PHR:1996:67
Strafrecht
10-09-2026 84% soortgelijk
Verzoeker J.M. (hierna: verzoeker), bij arrest van het hof te ’s‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van tien jaar, heeft bij de Procureur‑Generaal bij...
ECLI:NL:HR:1990:ZC8390
Strafrecht
08-04-2013 82% soortgelijk
Verdict samengevat: Zaak en procedure De zaak betreft [verdachte] (geboren 1959), bijgestaan door mr. G. Spong, die in cassatie opkomt tegen een arrest van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 28 november 1988....
ECLI:NL:PHR:2000:ZD1700
Strafrecht
08-04-2013 80% soortgelijk
Het advies van de Procureur‑Generaal (Mr. Fokkens) betreft het cassatieberoep van [verdachte], vertegenwoordigd door mr. G. Spong te 's‑Gravenhage, tegen een arrest van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch. Het hof had [verdachte] veroordeeld...
ECLI:NL:PHR:1985:AC4252
Strafrecht
04-04-2013 79% soortgelijk
Het betreft de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (Mr. Meijers) in het cassatieberoep van [verdachte] tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch. Aan [verdachte] was primair moord (subsidiair...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Uitspraak

J.M. Nr. 102.916 Zitting 21 mei 1996 Bij vervroeging

Mr Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 11 juli 1995 is verzoeker door het hof te 's-Hertogenbosch terzake van medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar.

2. Namens hem heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. De steller van het middel betoogt, onder verwijzing naar HR NJ 94.427, dat het hof de bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 8] (bewijsmiddelen 11, 12 en 13) niet voor het bewijs had mogen bezigen nu het nagelaten heeft die [betrokkene 8] ambtshalve als getuige te doen dagvaarden/oproepen, terwijl zij haar belastende verklaringen tegenover de rechter-commissaris had ingetrokken en klaagt voorts over de nadere bewijsoverweging van het hof inzake de betrouwbaarheid van voormelde verklaringen.

4. Omtrent het gebruik van voormelde verklaringen voor het bewijs heeft het hof overwogen:

[betrokkene 8] is door de politie langdurig verhoord. Zij heeft in die tijd diverse verklaringen afgelegd. Zij heeft tijdens deze verhoren verklaard over tal van bijzonderheden, die later bleken overeen te komen met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Pas op 30 mei 1994 heeft [betrokkene 8] bij de rechter-commissaris deze verklaringen ingetrokken onder de enkele mededeling dat zij die verklaringen onder druk had afgelegd en dat zij slechts heeft verklaard wat verhorende rechercheurs haar zouden hebben voorgehouden. Het hof acht deze enkele mededeling van [betrokkene 8] bij de rechter-commissaris onaannemelijk, gelet op het feit, dat [betrokkene 8], die reeds eerder in andere zaken door de politie is verhoord en dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring, zichzelf niet ten aanzien van een feit, waarop - zelfs voor de rol als medeplichtige - een grote sanctie is gesteld, onnodig zal belasten, enkel omdat zij onder druk zou zijn gezet. Het hof acht de hiervoor voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 8] dan ook geloofwaardig.

5. Nu de betrokkenheid van verzoeker bij het telastegelegde feit niet alleen uit bedoelde verklaringen van [betrokkene 8] kan volgen, maar ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de, ter terechtzitting in hoger gehoorde, getuigen Van Houtum en Niehorster (bewijsmiddelen 14 tot en met 17) en de verklaringen van [betrokkene 8] - zoals het hof ook overweegt - steun vinden in de overige bewijsmiddelen stond niets aan het gebruik daarvan voor het bewijs in de weg en was het hof niet gehouden ambtshalve de oproeping/dagvaarding van [betrokkene 8] als getuige te bevelen, vgl. HR NJ 94.427 r.o. 6.3.3 onder (ii) en (iii-2), alsmede HR NJ 94.338, HR DD 94.238, 94.351, 95.172 en 95.211.

6. Het middel klaagt er voorts over dat het hof ten onrechte op indirecte wijze voor het bewijs redengevend heeft geacht dat [betrokkene 8] reeds eerder in andere zaken door de politie is gehoord, dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring en verwijst naar HR NJ 82.591.

7. ' s Hofs overweging betreft niet de redengevendheid maar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 8]. De verwijzing naar HR NJ 82.591 gaat niet op: in die casus ging het om het ontbreken van de cautie en het (onterechte) oordeel van het hof dat de verdachte, omdat hij vele malen eerder was veroordeeld, geacht moet worden de hem toekomende rechten te kennen. Hier gaat het niet om aan een verdachte toekomende rechten maar om de aannemelijkheid van de bewering van [betrokkene 8] dat zij door de politie onder druk was gezet. Bij zijn oordeel dat dit onaannemelijk was kon het hof de "politie-ervaring" van [betrokkene 8] in aanmerking nemen .

8. De klacht dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat dergelijke verhoren ter sprake zijn geweest mist, gelet op het bepaalde in art. 417, eerste lid, Sv feitelijke grondslag. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de korte inhoud meegedeeld van onder meer 'een "moeder"-proces-verbaal nr. 04/07/93-44, inhoudende sub-processen-verbaal met bijlagen van de gemeentepolitie Breda, afdeling Centrale Recherche', dat onder meer als verklaring van [betrokkene 8] inhoudt (doorgenummerde bladzijden 662 en 663) Ik heb tot op heden altijd een eerlijke verklaring afgelegd. Ik ben inderdaad betrokken geweest bij een overval. Ik heb daarover reeds verklaard. Ook toen heb ik mijn aandeel duidelijk gemaakt." en "Iedereen die zegt dat ik iets met deze zaak te maken heb liegt! Mogelijk heeft het wat te maken met de verklaringen die ik tot op heden heb afgelegd over de overvallen. Misschien dat iemand kwaad is over de inhoud van mijn verklaringen. Ik heb namelijk een aantal verklaringen afgelegd over de wijze waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. Daarbij heb ik toen namen van mede verdachten genoemd. "

Het middel faalt.

Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen, zodat de conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,