Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:1996:65

ECLI:NL:PHR:1996:65 Parket bij de Hoge Raad , 21-05-1996 / 102.915
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De zaak betreft J.M. (nr. 102.915). Bij arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 is verzoeker veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag en bestraft met tien jaar gevangenisstraf. Tegen dit arrest is in cassatie één middel ingediend door mr. D.S. Schreuders namens de veroordeelde.

Kern van het cassatiemiddel is betwisting van het gebruik door het hof van politieverklaringen van [betrokkene 10] (bewijsmiddelen 11–13). [Betrokkene 10] had tijdens politieverhoren meerdere verklaringen afgelegd die later overeenkwamen met andere bewijsstukken, maar trok deze verklaringen op 30 mei 1994 bij de rechter‑commissaris in, stellende dat zij onder druk had verklaard. De raadsman betoogde dat het hof deze verklaringen niet had mogen benutten omdat het verschoonbare oproeping/dagvaarding ambtshalve had moeten gelasten (onder verwijzing naar HR NJ 94.427) en dat de bewijsoverwegingen van het hof over de betrouwbaarheid ondeugdelijk waren.

Het Hof en de Procureur‑Generaal (mr. Meijers) beoordelen de door het hof gegeven motivering als toereikend. Het hof had vastgesteld dat de eerdere politieverklaringen van [betrokkene 10] gedetailleerd waren en inhoudelijk samenpakten met andere bewijsmiddelen. De enkele mededeling van [betrokkene 10] dat zij onder druk had verklaard, vond het hof onaannemelijk, mede omdat zij eerder ervaring had met politieverhoren en daardoor niet onnodig zichzelf zou belasten met een bekennende verklaring. Verder wees het hof erop dat de betrokkenheid van verzoeker niet uitsluitend steunde op de verklaringen van [betrokkene 10], maar ook door verklaringen van in hoger beroep gehoorde getuigen [betrokkene 14] en [betrokkene 15] (bewijsmiddelen 14–17) en overige stukken werd gedragen. Gelet hierop stond niets aan het gebruik van de politieverklaringen voor bewijs in de weg en was er geen ambtshalve verplichting tot dagvaarding van [betrokkene 10].

Het middel klaagde tevens dat het hof onjuist en indirecterwijs redengevend had geacht dat [betrokkene 10] door eerdere politieverhoren ervaring had opgedaan (vergelijk HR NJ 82.591). De Procureur‑Generaal wijst deze klacht af: het hof gebruikte die om de betrouwbaarheid van de schuldbekentenis‑terugtrekking te beoordelen, niet om rechtenkennis van een verdachte aan te nemen zoals in NJ 82.591 het geval was. Ook de klacht dat uit het proces‑verbaal van de terechtzitting niet zou blijken dat dergelijke verhoren zijn besproken faalt; in eerste aanleg is een „moeder”-proces‑verbaal met de verklaring van [betrokkene 10] (incl. citaten waarin zij eerdere mee‑werking en namen van mededaders noemt) genoemd, en art. 417 lid 1 Sv biedt feitelijke grondslag.

Slotconclusie: er zijn geen gronden aangetroffen om het bestreden arrest ambtshalve te vernietigen. De Procureur‑Generaal adviseert het cassatieberoep te verwerpen.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:PHR:1996:66
Strafrecht
10-09-2026 88% soortgelijk
Verzoeker (J.M.), bij arrest van 11 juli 1995 door het gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag, liet door mr. G. Spong cassatie instellen. Het cassatiemiddel...
ECLI:NL:PHR:1996:67
Strafrecht
10-09-2026 87% soortgelijk
Verzoeker J.M. (hierna: verzoeker), bij arrest van het hof te ’s‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van tien jaar, heeft bij de Procureur‑Generaal bij...
ECLI:NL:PHR:1985:AC4252
Strafrecht
04-04-2013 82% soortgelijk
Het betreft de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (Mr. Meijers) in het cassatieberoep van [verdachte] tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch. Aan [verdachte] was primair moord (subsidiair...
ECLI:NL:PHR:2011:BQ0553
Strafrecht
05-04-2013 81% soortgelijk
Het arrest betreft nr. 10/00667; verdachte (naam niet vermeld) is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens moord veroordeeld tot 12 jaren gevangenisstraf. In cassatie, ingesteld namens verdachte door mr. J.S. Spijkerman te...
ECLI:NL:HR:1996:6
Strafrecht
10-09-2026 80% soortgelijk
Strafvonnis van de Hoge Raad (strafkamer), zaaknummer 102.924 SM, uitgesproken 10 september 1996. Partijen en procedure - Beklaagde: [verdachte], geboren 1975, wonende te [woonplaats], ten tijde van het arrest gedetineerd in PI...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Uitspraak

J.M. Nr. 102.915 Zitting 21 mei 1996 Bij vervroeging

Mr Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 11 juli 1995 is verzoeker door het hof te 's-Hertogenbosch terzake van medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar.

2. Namens hem heeft mr D.S. Schreuders, advocaat te 's-Gravenhage, bij pleidooi één middel van cassatie voorgesteld.

3. De steller van het middel betoogt, onder verwijzing naar HR NJ 94.427, dat het hof de bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 10] (bewijsmiddelen 11, 12 en 13) niet voor het bewijs had mogen bezigen nu het nagelaten heeft die [betrokkene 10] ambtshalve als getuige te doen dagvaarden/oproepen, terwijl zij haar belastende verklaringen tegenover de rechter-commissaris had ingetrokken en klaagt voorts over de nadere bewijsoverweging van het hof inzake de betrouwbaarheid van voormelde verklaringen.

4. Omtrent het gebruik van voormelde verklaringen voor het bewijs heeft het hof overwogen:

[betrokkene 10] is door de politie langdurig verhoord. Zij heeft in die tijd diverse verklaringen afgelegd. Zij heeft tijdens deze verhoren verklaard over tal van bijzonderheden, die later bleken overeen te komen met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Pas op 30 mei 1994 heeft [betrokkene 10] bij de rechter-commissaris deze verklaringen ingetrokken onder de enkele mededeling dat zij die verklaringen onder druk had afgelegd en dat zij slechts heeft verklaard wat verhorende rechercheurs haar zouden hebben voorgehouden. Het hof acht deze enkele mededeling van [betrokkene 10] bij de rechter-commissaris onaannemelijk, gelet op het feit, dat [betrokkene 10] , die reeds eerder in andere zaken door de politie is verhoord en dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring, zichzelf niet ten aanzien van een feit, waarop - zelfs voor de rol als medeplichtige - een grote sanctie is gesteld, onnodig zal belasten, enkel omdat zij onder druk zou zijn gezet. Het hof acht de hiervoor voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 10] dan ook geloofwaardig.

5. Nu de betrokkenheid van verzoeker bij het telastegelegde feit niet alleen uit bedoelde verklaringen van [betrokkene 10] kan volgen, maar ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de, ter terechtzitting in hoger gehoorde, getuigen [betrokkene 14] en [betrokkene 15] (bewijsmiddelen 14 tot en met 17) en de verklaringen van [betrokkene 10] - zoals het hof ook overweegt - steun vinden in de overige bewijsmiddelen stond niets aan het gebruik daarvan voor het bewijs in de weg en was het hof niet gehouden ambtshalve de oproeping/dagvaarding van [betrokkene 10] als getuige te bevelen, vgl. HR NJ 94.427 r.o. 6.3.3 onder (ii) en (iii-2), alsmede HR NJ 94.338, HR DD 94.238, 94.351, 95.172 en 95.211.

6. Het middel klaagt er voorts over dat het hof ten onrechte op indirecte wijze voor het bewijs redengevend heeft geacht dat [betrokkene 10] reeds eerder in andere zaken door de politie is gehoord, dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring en verwijst naar HR NJ 82.591.

7. ' s Hofs overweging betreft niet de redengevendheid maar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 10] . De verwijzing naar HR NJ 82.591 gaat niet op: in die casus ging het om het ontbreken van de cautie en het (onterechte) oordeel van het hof dat de verdachte, omdat hij vele malen eerder was veroordeeld, geacht moet worden de hem toekomende rechten te kennen. Hier gaat het niet om aan een verdachte toekomende rechten maar om de aannemelijkheid van de bewering van [betrokkene 10] dat zij door de politie onder druk was gezet. Bij zijn oordeel dat dit onaannemelijk was kon het hof de "politie-ervaring" van [betrokkene 10] in aanmerking nemen .

8. De klacht dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat dergelijke verhoren ter sprake zijn geweest mist, gelet op het bepaalde in art. 417, eerste lid, Sv feitelijke grondslag. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de korte inhoud meegedeeld van onder meer 'een "moeder"-proces-verbaal nr. 04/07/93-44, inhoudende sub-processen-verbaal met bijlagen van de gemeentepolitie Breda, afdeling Centrale Recherche', dat onder meer als verklaring van [betrokkene 10] inhoudt (doorgenummerde bladzijden 662 en 663) "Ik heb tot op heden altijd een eerlijke verklaring afgelegd. Ik ben inderdaad betrokken geweest bij een overval. Ik heb daarover reeds verklaard. Ook toen heb ik mijn aandeel duidelijk gemaakt." en "Iedereen die zegt dat ik iets met deze zaak te maken heb liegt! Mogelijk heeft het wat te maken met de verklaringen die ik tot op heden heb afgelegd over de overvallen. Misschien dat iemand kwaad is over de inhoud van mijn verklaringen. Ik heb namelijk een aantal verklaringen afgelegd over de wijze waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. Daarbij heb ik toen namen van mede verdachten genoemd. "

Het middel faalt.

Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen, zodat de conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,