Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:1987:8

ECLI:NL:PHR:1987:8 Parket bij de Hoge Raad , 15-12-1987 / 83.146
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

N.E. (zaaknr. 83.146), zitting 15 december 1987 — Conclusie van de Procureur‑Generaal, mr. Meijers, inzake de minderjarige verdachte (verzoeker).

Feiten en procesgeschiedenis

  • De minderjarige verzoeker werd bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 14 april 1987 veroordeeld voor doodslag en veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden.
  • Tegen die veroordeling is cassatie ingesteld; mr. Spong (advocaat te 's‑Gravenhage) formuleerde namens verzoeker twee middelen in cassatie.

Eerste middel: onvoldoende bewijs van opzet/gevolg van psychiatrisch rapport

  • Het eerste middel betoogt dat de gebruikte bewijsmiddelen toelaten dat verzoeker niet beschikte over de ervaring en kennis die het hof aan hem toekende om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen.
  • Het hof had voor het bewijs van voorwaardelijk opzet aangevoerd dat het algemeen bekend is dat het dichtknijpen van de keel en het dichtdrukken van de mond, zoals hier vastgesteld, niet zelden de dood tot gevolg heeft; dat algemene bekendheid kon bij verzoeker het besef hebben gewekt dat de handeling de dood tot gevolg kon hebben.
  • Tegenover dat bewijs stond een psychiatrisch rapport dat verwoordt dat verzoeker psychisch een kinderlijk beeld vertoont en een permanente primitiviteit en ontwikkelingsstoornis heeft. Het rapport gaf verder aan zich uit te laten over toerekening (aansprakelijkheid) en adviseerde toepassing van het meerderjarigenstrafrecht.
  • De Procureur‑Generaal oordeelt dat het psychiatrisch rapport het hof niet dwong tot een andere waardering van verzoekers inzicht ten aanzien van het algemene gevaar van de toegepaste gedragingen. Het rapport betrof niet rechtstreeks de vraag naar opzet maar eerder de toerekeningsvraag; het riep geen zodanige “ernstige twijfel” op aan het vereiste inzicht als bedoeld in de jurisprudentie (onder verwijzing naar HR NJ 1965, 26).
  • Conclusie ten aanzien van het eerste middel: ongegrond.

Tweede middel: gebrek aan motivering bij verschil tussen vordering en opgelegde straf

  • Het tweede middel probeerde de vordering van de procureur‑generaal voor feit 2 (verkrachting) te vergelijken met de opgelegde straf voor feit 1 (doodslag) en stelde daaraan motiveringsgebrek ten grondslag.
  • De Procureur‑Generaal merkt op dat, wanneer de gevorderde straf en de daadwerkelijk opgelegde straf niet betrekking hebben op hetzelfde feit (of niet mede hetzelfde feit), de beslissing van de rechter die voor een ander, zwaarder gestraft feit een hogere straf oplegt dan het Openbaar Ministerie voor het lichte feit had gevorderd, niet zonder meer een verplichting tot bijzondere motivering oplegt. De reden is dat in zulk een geval het vergelijkingspunt bedoeld in artikel 359, lid 7, Sv ontbreekt: art. 359(7) heeft betrekking op de motivering van afwijking ten opzichte van de vordering voor hetzelfde feit.
  • Conclusie ten aanzien van het tweede middel: ongegrond.

Eindoordeel en conclusie Procureur‑Generaal

  • Beide middelen in cassatie worden verworpen; de Procureur‑Generaal concludeert tot verwerping van het beroep in cassatie tegen het arrest van het hof te Leeuwarden.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:HR:1988:3
Strafrecht
03-09-2026 83% soortgelijk
De zaak betreft het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1968, woonachtig te [woonplaats], gedurende de bestreden uitspraak preventief gedetineerd te Assen) tegen het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 april 1987....
ECLI:NL:PHR:1985:AC4252
Strafrecht
04-04-2013 82% soortgelijk
Het betreft de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (Mr. Meijers) in het cassatieberoep van [verdachte] tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch. Aan [verdachte] was primair moord (subsidiair...
ECLI:NL:PHR:1996:67
Strafrecht
10-09-2026 81% soortgelijk
Verzoeker J.M. (hierna: verzoeker), bij arrest van het hof te ’s‑Hertogenbosch van 11 juli 1995 veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van tien jaar, heeft bij de Procureur‑Generaal bij...
ECLI:NL:PHR:1999:ZD1522
Strafrecht
08-04-2013 80% soortgelijk
De zaak betreft het cassatieberoep van [verzoeker], die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot 1½ jaar gevangenisstraf wegens meermalen plegen van ontucht jegens zijn jongste zusje ([zus verzoeker]). De conclusie is...
ECLI:NL:PHR:1999:23
Strafrecht
26-01-2026 79% soortgelijk
Nr. 111.189 (zitting 29 juni 1999) — Conclusie (Mr. Machielse), inzake [verzoeker] Feiten en procedure - Het hof te Leeuwarden heeft [verzoeker] bij uitspraak van 2 juli 1998 veroordeeld voor diverse zedendelicten...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Uitspraak

N.E. Nr. 83.146 Zitting 15 december 1987

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

De ten tijde van het begaan van het feit minderjarige verzoeker is door het gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 14 april 1987 terzake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden.

Op het namens verzoeker ingestelde beroep in cassatie heeft mr. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, namens verzoeker twee middelen voorgesteld.

De stelling van het eerste middel is dat de gebruikte bewijsmiddelen de mogelijkheid open laten dat verzoeker niet de ervaring en de kennis heeft bezeten, die het hof blijkens het bewezenverklaarde opzet bij hem aanwezig achtte.

Het hof heeft voor het bewijs van het - voorwaardelijke - opzet een beroep gedaan op het feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel en het dichtdrukken van de mond van het slachtoffer op de wijze, als door het hof vastgesteld, niet zelden de dood van het slachtoffer tengevolge heeft. Aan de desbetreffende overweging van het hof (7.2., arrest, p. 6) ligt ten grondslag het oordeel van het hof dat de minderjarige verzoeker, van wie het psychiatrisch rapport zegt dat hij psychisch een kinderlijk beeld vertoont en dat dat beeld een uiting is van permanente primitiviteit, welke primitiviteit op haar beurt een uiting is van een ontwikkelingsstoornis (vgl. overweging 10.1, arrest, p. 7), voldoende benul had om van het door het hof genoemde feit van algemene bekendheid op de hoogte te zijn. Het over verzoeker uitgebrachte psychiatrische rapport dwong het hof niet tot een ander oordeel, temeer niet, nu het rapport zich over de graad van toerekening, niet over verzoekers opzet, uitlaat (vgl. HR NJ 1986, 532, een herzieningszaak) en het onder meer als advies inhoudt, op verzoeker het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. (Het hof nam dat advies over.)

Anders dan het middel stelt, blijkt uit overweging 10.1 van het hof (in de toelichting op het middel onder 2 geciteerd) niet dat de in HR NJ 1965, 26 geformuleerde uitzondering zich hier voordoet. Het psychiatrisch rapport behoefde bij het hof geen "ernstige twijfel" - zoals laatstgenoemd arrest zegt - aan de voldoende maat van verzoekers inzicht, een inzicht dat bij de toepassing van het strafrecht wordt verondersteld, op te roepen.

Het middel acht ik ongegrond.

Ook het tweede middel is ongegrond. Het tracht de vordering van de procureur-generaal voor feit 2 (de verkrachting) te vergelijken met de opgelegde straf voor feit 1 (de doodslag). Wanneer vordering en strafoplegging niet hetzelfde feit, althans niet mede hetzelfde feit, betreffen, schept de beslissing van de rechter, voor het met een zwaardere straf bedreigde feit, waarop de vordering geen betrekking heeft, een zwaardere straf op te leggen dan het OM voor het andere, van een lager maximum voorziene feit vorderde, niet de verplichting tot een bijzondere motivering. De rechter mist in zo een geval immers het in art. 359 lid 7 bedoelde vergelijkingspunt.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,