ECLI:NL:RBDHA:2026:9958 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / NL26.516
Samenvatting
Rechtbank Den Haag, zaaknummer NL26.516, bestuursrechtelijke enkelvoudige kamer (mr. D.C. Laagland, griffier mr. S.M.H. van der Velden) heeft het beroep van [eiser] (V‑nummer: [V‑nummer], gemachtigde mr. K. Mohasselzadeh) tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. F. in den Bosch) niet‑ontvankelijk verklaard.
Feiten en procedure
- [eiser] diende op 13 oktober 2024 een asielaanvraag in.
- Met besluit van 9 december 2025 verleende de minister de verblijfsvergunning asiel in de algemene procedure op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000, met ingang van 13 oktober 2024 tot 13 oktober 2029.
- Het beroep van [eiser] betrof niet de inwilliging van de asielaanvraag zelf, maar de vaststelling van zijn nationaliteit: hij stelt staatloos Palestijn te zijn en verzoekt registratie als ‘staatloos’, terwijl de minister zijn nationaliteit als ‘Syrisch’ heeft vastgesteld.
- De zitting vond plaats op 24 maart 2026; de gemachtigde van de minister was aanwezig. [eiser] en zijn gemachtigde hadden laten weten niet te verschijnen.
Juridische beoordeling en motivering
- De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Kernredening:
- De asielprocedure is primair gericht op de vraag of asielrechtelijke bescherming moet worden verleend; vaststelling van staatloosheid maakt daar in beginsel geen deel van uit.
- Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de IND niet verplicht is staatloosheid vast te stellen zolang die vaststelling niet noodzakelijk is voor de beslissing op de asielaanvraag.
- [eiser] heeft de asielbescherming reeds verkregen door toekenning van de verblijfsvergunning, zodat vaststelling van staatloosheid voor de asielbeslissing niet noodzakelijk was.
- Een door de minister vastgestelde staatloosheid heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige juridische consequenties in het kader van de asielprocedure; het leidt niet tot voor rechten relevante gevolgen zoals bij gemeentelijke BRP‑registratie het geval kan zijn.
- Het feit dat de minister ‘Syrisch’ heeft genoteerd in plaats van ‘onbekende’ verandert niets aan het ontbreken van procesbelang voor deze procedure.
- De rechtbank wijst erop dat voor vaststelling van staatloosheid een andere route openstaat: de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, die op 1 oktober 2023 in werking trad.
Beslissing en gevolgen
- Het beroep wordt niet‑ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
- [eiser] krijgt geen proceskostenvergoeding.
- De uitspraak is gedaan en openbaar uitgesproken; tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (met mogelijkheid tot verzoek om voorlopige voorziening bij spoed).
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Asielaanvraag ingewilligd; Eiser betwist de vaststelling van zijn nationaliteit als 'Syrisch'; Beroep niet-ontvankelijk; Eiser heeft geen procesbelang.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.516
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 9 december 2025.
2. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Namens verweerder is diens gemachtigde verschenen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voor de zitting laten weten niet naar de zitting te zullen komen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft op 13 oktober 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De vergunning is verleend met ingang van 13 oktober 2024 en is geldig tot 13 oktober 2029.
4. Eiser betwist de inwilliging van de asielaanvraag niet, maar wel de vaststelling van zijn nationaliteit als ‘Syrisch’. Eiser voert aan dat hij een staatloze Palestijn is en daarom als ‘staatloos’ moet worden geregistreerd.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser belangrijk is dat zijn nationaliteit op de voor hem juiste wijze staat vermeld. Verweerder wijst er echter terecht op dat de asielprocedure niet is bedoeld voor het vaststellen van eventuele staatloosheid. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter.
6. Dit alles betekent dat de asielprocedure niet de weg is om te procederen over de vaststelling van de staatloosheid. Daarvoor staat eiser een andere procedure ter beschikking, namelijk via de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid die op 1 oktober 2023 in werking is getreden.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen procesbelang bij het door hem ingestelde beroep tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.