ECLI:NL:RBDHA:2026:22906 Rechtbank Den Haag , 16-07-2026 / C/09/696756 / HA RK 25-753
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), zaak C/09/696756, rekest HA RK 25-753. Beschikking d.d. 16 juli 2026 door mr. A.P. de Klerk, griffier mr. N.C. Gantenbein. Verzoeker: [verzoeker] (geboren 1991 te [geboorteplaats], [geboorteland]), woonachtig op bij de rechtbank bekend adres, bijgestaan door advocaat mr. E. Bezem te Amsterdam. Belanghebbende: de Staat der Nederlanden, Ministerie van J&V, IND, vertegenwoordigd door mr. K.A. van Iwaarden.
Procedure: verzoekschrift ontvangen 23 december 2025; stukken omvatten verzoekschrift, brief van de Staat (19 mei 2026) en e-mail van verzoeker (12 juni 2026). De Staat adviseerde toewijzing van het verzoek; partijen stemden in met beslissing zonder mondelinge behandeling.
Feiten: verzoeker diende asielaanvragen in op 29-12-2017 en 30-06-2020 (beide afgewezen). Verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden verleend 22-11-2022; verblijfsvergunning voortgezet verblijf verleend 13-11-2025. Overgelegde documenten: geboorteakte van de Palestijnse Missie; verklaring van de Palestijnse Missie; twee verklaringen van Irak, Ministerie van Ontheemden en Migranten (Dienst Humanitaire Zaken); document en identiteitskaart voor Palestijnen; twee Palestijnse paspoorten (waarvan paspoort d.d. 10-03-2013 door KMar als ‘goed’ beoordeeld); gezinsboekje; twee UNHCR Refugee Certificates; UNHCR-verklaring over asielaanvraag in Turkije; diverse verklaringen van woonplaats en distributiekaart; overige Palestijnse documenten en akten (inclusief geboorte- en overlijdensakten van genoemd familieleden).
Juridisch kader: beoordeling op grond van art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (Wvs, 7 juni 2023). De rechtbank toetst of het niet aannemelijk is dat betrokkene krachtens wettelijk stelsel door enige staat als onderdaan wordt beschouwd. Verzoeker is ontvankelijk (in Nederland woonachtig en onmiddellijk belang).
Betrokken landen: Palestijnse Gebieden, Irak en Turkije werden in de beoordeling betrokken; geen aanwijzingen voor andere nationaliteiten.
Beoordeling per staat:
- Palestijnse Gebieden: verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn; Palestijnse Missie bevestigde dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft en de documenten maken Palestijnse afkomst aannemelijk. De rechtbank verwijst naar het Ambtsbericht Palestijnse Gebieden (april 2022) en de IND Werkinstructie (WI 2020/19): Nederland erkent de staat Palestina niet; daarom gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden voor Nederland als staatloos, tenzij zij een andere nationaliteit hebben.
- Irak: verzoeker is naar eigen zeggen in [geboorteland] (Irak) geboren, maar betoogt geen Iraakse nationaliteit te hebben; Iraakse autoriteiten hebben medegedeeld dat verzoeker niet de Iraakse nationaliteit bezit. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker Iraaks staatsburger is.
- Turkije: verzoeker verbleef van 6-8-2014 tot 6-10-2017 in Turkije. De Turkse nationaliteitswet kent verkrijging door afstamming of door geboorte op Turks grondgebied (vooralsnog alleen indien zonder deze verkrijgingsgrond staatloosheid zou optreden) en naturalisatie onder voorwaarden, waaronder meestal vijf jaar legaal verblijf. Verzoeker voldeed niet aan de vijfjaarseis; de rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker Turks staatsburger is.
Conclusie: gelet op de samenhang van de overgelegde stukken, de bevestiging van Palestijnse afkomst, het ontbreken van aanwijzingen voor Iraakse of Turkse nationaliteit en het Nederlands beleid dat Palestijnen uit de Palestijnse gebieden zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd, stelt de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. De rechtbank zal na onherroepelijkheid een afschrift van de beschikking aan de woongemeente van verzoeker zenden.
Proceskosten: verzoeker verzocht om veroordeling van de Staat in proceskosten; de rechtbank ziet geen aanleiding daartoe en wijst dat verzoek af.
Beslissing: het verzoek tot vaststelling van staatloosheid wordt toegewezen; overige (meer of anders) verzochte wordt afgewezen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vaststelling staatloosheid - relevante landen: Palestijnse gebieden, Irak en Turkije
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-753 Zaaknummer: C/09/696756 Datum beschikking: 16 juli 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 23 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E. Bezem in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 19 mei 2026 van de Staat;
- het e-mailbericht van 12 juni 2026 van de zijde van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
-
Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats], [geboorteland].
-
Verzoeker heeft op 29 december 2017 en op 30 juni 2020 asielaanvragen ingediend. Beide aanvragen zijn afgewezen.
-
Bij beschikking van 22 november 2022 is aan verzoeker een verblijfsvergunning ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend.
-
Bij beschikking van 13 november 2025 is aan verzoeker een verblijfsvergunning ‘voortgezet verblijf’ verleend.
-
Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten:
-
geboorteakte van de Palestijnse Missie;
-
verklaring van Palestijnse Missie;
-
twee verklaringen Republiek Irak, Ministerie van Ontheemden en Migranten, Dienst voor Humanitaire zaken;
-
document voor Palestijnen;
-
identiteitskaart voor Palestijnen;
-
twee Palestijnse paspoorten;
-
gezinsboekje;
-
twee UNHCR Refugee Certificates;
-
UNHCR verklaring over asielaanvraag Turkije;
-
verklaring van woonplaats;
-
distributiekaart;
-
formulier voor de ontvangst van de identiteitskaart van de permanente commissie voor vluchtelingenzaken bij vertrek of terugkeer;
-
Palestijnse geboorteakte van [naam 1];
-
overlijdensakte van [naam 1];
-
document voor Palestijnen van [naam 2];
-
identiteitskaart voor Palestijnen van [naam 3].
-
Het Palestijns paspoort van 10 maart 2013 is ‘goed’ bevonden door de Koninklijke Marechaussee.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij sinds zijn geboorte staatloos is, een dag en uur te bepalen waarop de behandeling van dit verzoek zal aanvangen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker toe te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank de Palestijnse Gebieden, Irak en Turkije bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Verzoeker stelt te zijn geboren in Irak en van Palestijnse afkomst te zijn. De Palestijnse Missie in Nederland heeft bevestigd dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft. Ook de Staat acht het aannemelijk dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft.
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten in onderlinge samenhang bezien is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Verzoeker stelt in [geboorteland] te zijn geboren, maar niet over de Iraakse nationaliteit te beschikken. De Iraakse autoriteiten hebben aangegeven dat verzoeker niet de Iraakse nationaliteit bezit.
Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker de Iraakse nationaliteit heeft.
Verzoeker voert aan van 6 augustus 2014 tot 6 oktober 2017 in Turkije te hebben verbleven.
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw). Eén van de voorwaarde is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Hier voldoet verzoeker niet aan.
De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft.
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
wijst af het meer of anders verzochte.