ECLI:NL:RBDHA:2024:8710 Rechtbank Den Haag , 05-06-2024 / NL24.13105
Samenvatting
Eiser: [naam], V-nummer: [nummer], bijgestaan door mr. A.M.I. Eleveld. Verweerder: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bijgestaan door mr. S.J. de Vries. Zittingsplaats: Rechtbank Den Haag, locatie Groningen; zaaknummer NL24.13105. Rechter: mr. S. Ketelaars‑Mast.
Feiten en procedure
- Eiser diende op 12 september 2022 een aanvraag asiel voor bepaalde tijd in. Uit Eurodac bleek dat hij op 24 augustus 2022 illegaal via Italië het Dublingaringsgebied was binnengekomen; daarom vond op 7 oktober 2022 een Dublin‑aanmeldgehoor plaats. Tijdens dat gehoor overhandigde eiser onder meer een UNRWA‑kaart en een Syrisch tijdelijk verblijfsdocument voor Palestijnen; de IND‑hoorambtenaar nam geen originelen in maar maakte kopieën voor het dossier.
- De staatssecretaris verzocht op 26 oktober 2022 de Italiaanse autoriteiten om overname (artikel 13 lid 1 Dublinverordening). Italië reageerde niet binnen twee maanden; vanaf 27 december 2022 werden de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk. Bij besluit van 17 april 2023 nam de staatssecretaris de aanvraag niet in behandeling wegens Italiaanse verantwoordelijkheid, maar op 2 mei 2023 werd dat besluit ingetrokken en werd eiser in de nationale procedure opgenomen naar aanleiding van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2023.
- Eiser werd op 13 juni 2023 in de BRP ingeschreven. Op 29 december 2023 vond een nader gehoor plaats; eiser overhandigde toen stukken ter onderbouwing van zijn gestelde staatloosheid. Bij besluit van 26 februari 2024 verleende de staatssecretaris aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000, geldig van 12 september 2022 tot 12 september 2027; nationaliteit in het besluit: “onbekend”.
- Eiser tekende beroep aan tegen dat besluit. Verweerder stelde verweer; zitting vond plaats op 24 mei 2024.
Beoordeling en motivering rechtbank
- De rechtbank verklaart het beroep niet‑ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Kernreden: eiser is met ingang van de datum van zijn asielaanvraag reeds in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de b‑grond. Binnen het Nederlandse vergunningenstelsel zijn aan een tijdelijke asielvergunning op de a‑grond geen andere (gunstigere) rechten of voordelen verbonden dan aan diezelfde vergunning op de b‑grond; een geslaagd beroep dat de grondslag (a in plaats van b) zou wijzigen brengt eiser dus geen gunstiger positie. De rechtbank sluit hierbij aan bij vaste rechtspraak (onder meer ECLI:NL:RVS:2022:2709).
- Ten aanzien van de wens van eiser om zijn nationaliteit in het besluit als “staatloos” te laten vermelden, oordeelt de rechtbank dat eiser ook hiervoor geen procesbelang heeft. Als de vaststelling van staatloosheid niet noodzakelijk is voor de te nemen beslissing, rust geen verplichting op de staatssecretaris om tijdens de procedure zelfstandig staatloosheid vast te stellen. Bovendien bestond er (en bestaat er) een andere rechtsgang voor de vaststelling van staatloosheid (artikel 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid). De rechtbank weegt mee dat de inschrijving in de BRP plaatsvond op 13 juni 2023 en dat vóór die inschrijving de benodigde originelen niet tot het dossier behoorden; conform Werkinstructie 2018/12 kan de IND persoonsgegevens (inclusief nationale status) niet zelf wijzigen maar slechts een terugmelding aan de betrokken gemeente doen. Dat eiser tijdens het aanmeldgehoor originelen aanbood verandert hieraan onvoldoende, omdat op dat moment overdracht in het kader van Dublin mogelijk was.
- De rechtbank wijst proceskostenveroordeling af.
Gevolgen en rechtsmiddelen
- Beroep is niet‑ontvankelijk; de rechtbank heeft de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Als de gemeente naar aanleiding van de terugmelding niet instemt met wijziging van eisers nationaliteit naar “staatloos”, kan eiser tegen de gemeente procederen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
- Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak; bij spoed kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Beslissing: beroep niet‑ontvankelijk.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
beroep, asiel, verblijfsvergunning verleend op de b-grond, nationaliteit 'onbekend' in plaats van 'staatloos' Palestijn, procesbelang, niet-ontvankelijk
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13105
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Inleiding
Bij besluit van 26 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000. Deze vergunning is geldig van 12 september 2022 tot 12 september 2027. Als nationaliteit staat vermeld ‘onbekend’.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft op 12 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft op 7 oktober 2022 een aanmeldgehoor Dublin plaatsgevonden, omdat uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser op 24 augustus 2022 op illegale wijze het Dublingrondgebied is ingereisd via Italië. Dit betekent dat Italië in beginsel verantwoordelijk was voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser aangegeven dat hij – naast het eerder overgelegde reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen – andere originele documenten bij zich had. Het betrof onder meer een originele UNWRA- kaart en een Syrisch tijdelijk verblijfsdocument voor Palestijnen. De hoorambtenaar van de IND heeft aan eiser aangegeven deze documenten niet in te zullen nemen, maar er wel kopieën van de maken en die aan het dossier te zullen toevoegen.
3.1. De staatssecretaris heeft de Italiaanse autoriteiten op 26 oktober 2022 verzocht om eiser op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening over te nemen.
4. Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris vanaf 26 april 2023 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. Op 13 juni 2023 is eiser ingeschreven in de BRP van zijn gemeente.
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat diegene die beroep instelt daarbij procesbelang moet hebben. Procesbelang wordt alleen aangenomen als de indiener van het beroep in een gunstiger positie kan komen door gegrondverklaring van zijn beroep. In dit geval is eiser met ingang van de datum van zijn asielaanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Binnen het Nederlandse vergunningenstelsel worden aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de a-grond geen andere rechten en/of voordelen verbonden zijn dan aan die vergunning op de b-grond. Een vreemdeling met een verblijfsvergunning op de b-grond die doorprocedeert voor een a-grond, kan met zijn beroep dus niet meer of iets anders bereiken. Om die reden heeft eiser onvoldoende belang het onderhavige beroep.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor zover de gemeente, naar aanleiding van de terugmelding, niet akkoord zou gaan met een wijziging van eisers nationaliteit naar ‘staatloos’, kan eiser een procedure tegen de gemeente starten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.