Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:5947

ECLI:NL:RBDHA:2026:5947 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/693851 / HA RK 25-642
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 17 februari 2026 (rekestnr. HA RK 25-642, zaaknr. C/09/693851). Verzoeker (naam niet in beslissing vermeld), wonende op een bij de rechtbank bekend adres, bijgestaan door mr. A. Hanna te Rotterdam, verzoekt ex art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid om vaststelling dat hij staatloos is en gelasting van zijn woongemeente om in de BRP zijn nationaliteit te wijzigen van ‘onbekend’ in ‘staatloos’. Als belanghebbende trad op: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, IND), vertegenwoordigd door [gemachtigde]. De Staat adviseerde toewijzing van het verzoek; partijen stemden in met besluitvorming zonder mondelinge behandeling.

Feiten vastgesteld door de rechtbank: verzoeker kwam Nederland binnen en vroeg asiel aan op 5 augustus 2023; hem is een verblijfsvergunning asiel verleend (5-8-2023 tot 5-8-2028). Verzoeker bezit en overlegde door Koninklijke Marechaussee/IND (Bureau Documenten) als echt aangemerkte documenten: een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, een UNRWA familieregistratiekaart en diverse documenten van GAPAR (Algemeen Orgaan voor de Palestijns-Arabische Vluchtelingen): familie-uittreksel, familieboekje, individueel uittreksel. Deze feiten nam de rechtbank als vaststaand aan.

Juridische toetsing: het verzoek is ontvankelijk omdat verzoeker in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft. Toetsvraag volgens art. 2 is of uit de stukken blijkt dat enige staat verzoeker onderdaan acht; zo niet, moet staatloosheid worden vastgesteld. Partijen stelden dat in elk geval Palestina, Saoedi-Arabië en Syrië relevant zijn.

Beoordeling per staat:

  • Palestijnse gebieden: uit de overgelegde documenten volgt Palestijnse afkomst. Nederland erkent de staat Palestina niet (Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden, april 2022; Werkinstructie SUA 11-12-2020). Daarom worden personen uit de Palestijnse gebieden door Nederland als staatloos aangemerkt, tenzij anders blijkt dat zij een andere nationaliteit hebben. Geen bewijs van een andere nationaliteit is geleverd.
  • Saoedi-Arabië: verzoeker is in Saoedi-Arabië geboren en heeft daar circa een jaar gewoond. Op basis van Saoedische nationaliteitsregelgeving verkrijgt iemand die op Saoedisch grondgebied is geboren niet automatisch de Saoedische nationaliteit indien de vader geen Saoedische nationaliteit heeft; er is geen bewijs dat de vader Saoedisch is. De Werkinstructie vermeldt bovendien dat Palestijnen in de praktijk van naturalisatie zijn uitgesloten. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verzoeker Saoedische nationaliteit heeft.
  • Syrië: Syriës nationaliteitsrecht kent nationaliteit vooral via afstamming van een Syrische vader; overdracht door een Syrische moeder is beperkt tot specifieke gevallen die hier niet zijn gebleken. De Werkinstructie geeft aan dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren. Belangrijk bewijs is het feit dat verzoeker een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen bezit; dat document duidt erop dat Syrië hem niet als Syrisch onderdaan beschouwt. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker Syrische nationaliteit bezit.

Conclusie en dispositief: de rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is. De rechtbank zal na onherroepelijkheid een afschrift van de beschikking aan de woongemeente van verzoeker sturen. Een last tot inschrijving in de BRP wordt niet gegeven; het verzoek daartoe wordt afgewezen als overbodig/onnodig. Het overige of meerverzochte wordt eveneens afgewezen. De beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel (rechter), bijgestaan door mr. P. Hillebrand (griffier), uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van 17 februari 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:6935
Civiel recht > Personen- en familierecht
28-03-2026 97% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnummer HA RK 25-663, zaaknummer C/09/694169, beschikking van 25 februari 2026. Verzoeker, bij de rechtbank woonachtig op een bekend adres en bijgestaan door mr. A. Hanna te...
ECLI:NL:RBDHA:2026:5942
Civiel recht > Personen- en familierecht
20-03-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnr. HA RK 25-493, zaaknr. C/09/691466, beschikking 17 februari 2026. Verzoeker (bij de rechtbank bekend adres) verzocht, bijgestaan door mr. F. Engelbertink te Amsterdam, om vaststelling van...
ECLI:NL:RBDHA:2026:3426
Civiel recht
21-02-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnr. HA RK 25-405 / zaaknr. C/09/689640, beschikking van 21 januari 2026. Verzoeker, geboren in 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland], wonende op een bij de rechtbank bekend adres,...
ECLI:NL:RBDHA:2026:13454
Civiel recht > Personen- en familierecht
25-05-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnummer HA RK 26-52 / zaaknummer C/09/698108, beschikking d.d. 24 april 2026. Verzoeker: [verzoeker], wonende op bij de rechtbank bekend adres, bijgestaan door mr. D. Brouwer te...
ECLI:NL:RBDHA:2026:13424
Civiel recht > Personen- en familierecht
25-05-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 24 april 2026 (rekestnr. HA RK 25-487, zaaknr. C/09/691332). Verzoeker: [verzoeker], geboren in 1988 te [geboorteplaats], [land], wonende op een bij de rechtbank bekend adres,...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

vaststelling staatloosheid. Palestijnse Gebieden, Saoedi-Arabië, Syrië. verzoek toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 25-642 Zaaknummer: C/09/693851 Datum beschikking: 17 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 29 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Hanna te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: [gemachtigde] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • de brief van 28 januari 2026 van de Staat;
  • een e-mailbericht van 28 januari 2026 van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot verklaring voor recht dat verzoeker staatloos is (de rechtbank begrijpt vaststelling van staatloosheid van verzoeker) en de gemeente waar verzoeker woonachtig is te gelasten om de registratie van de nationaliteit van verzoeker in de Basisregistratie Personen te wijzigen van ‘onbekend’ in ‘staatloos’.

De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.

Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.

  • Verzoeker is op 5 augustus 2023 Nederland ingereisd en heeft op dezelfde datum een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
  • Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig van 5 augustus 2023 tot 5 augustus 2028.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn onderzocht door de Koninklijke Marechaussee dan wel Bureau Documenten van de IND, en zijn echt bevonden:

o Een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen; o Een UNRWA familieregistratiekaart; o Een familie-uittreksel van het Algemeen Orgaan voorde Palestijns-Arabische Vluchtelingen (GAPAR); o Een familieboekje GAPAR; o Een individueel uittreksel GAPAR.

Beoordeling

Juridisch kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).

Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoekeer in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.

Relevante landen

Verzoeker en de Staat zijn het erover eens dat er geen andere landen/staten zijn dan Palestina, Saoedi-Arabië en Syrië ten aanzien waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij verzoeker op basis van wetgeving als onderdaan beschouwen.

Wordt verzoeker als onderdaan van Palestijnse gebieden beschouwd?

Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden –, kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft geldt het volgende.

Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.

Wordt verzoeker als onderdaan van Saoedi-Arabië beschouwd?

Verzoeker is geboren in Saoedi-Arabië en heeft verklaard daar een jaar te hebben gewoond.

Op grond van de Saoedische nationaliteitswetgeving (Saudi Arabian Citizenship System (Regulation)) kan worden afgeleid dat iemand die geboren is op het grondgebied van Saoedi-Arabië, maar wiens vader niet de nationaliteit heeft van Saoedi-Arabië, niet de Saoedische nationaliteit verkrijgt. Niet gebleken is dat de vader van verzoeker de Saoedische nationaliteit heeft.

Uit pagina 9 van de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in de praktijk uitgesloten worden van naturalisatie. Ook is niet aannemelijk dat verzoeker aan de voorwaarden voor naturalisatie zou hebben voldaan. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoeker de Saoedische nationaliteit heeft verkregen.

Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?

Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen. Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.

Verder volgt uit voornoemde werkinstructie dat een niet-Syrische vrouw op basis van een huwelijk met een Syrische man een naturalisatieverzoek kan indienen. Ook hiervan is geen sprake. Daar komt bij dat verzoeker beschikt over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, waaruit volgt dat Syrië verzoeker niet als Syrisch onderdaan aanmerkt. Het is daarom niet aannemelijk is dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.

Conclusie

De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.

De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker. Een last tot inschrijving is niet nodig, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat verzoeker staatloos is;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2026.