ECLI:NL:RBDHA:2025:22303 Rechtbank Den Haag , 25-11-2025 / NL25.43753
Samenvatting
[eiser] (geboren [datum] 2003, van Palestijnse afkomst; gemachtigde mr. M.S. Yap) heeft beroep ingesteld tegen delen van het besluit van de minister van Asiel en Migratie d.d. 14 augustus 2025. In dat besluit heeft de minister de asielaanvraag van [eiser] van 16 augustus 2022 ingewilligd en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend (grond: art. 29 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000). In hetzelfde besluit heeft de minister geoordeeld dat [eiser] niet als staatloos moet worden aangemerkt, maar dat zijn nationaliteit onbekend is; dit oordeel werd onder meer gemotiveerd met het ontbreken van originele individuele en familie-uittreksels.
[eiser] betoogde dat hij wel procesbelang heeft bij een juiste registratie van zijn nationaliteit als staatloos en verwees naar werkinstructies 2020/19 (Palestijnen) en 2025/7 (Beoordelen evidente staatloosheid). Hij stelde over de volgens die werkinstructies relevante documentatie te beschikken en voerde aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die documentatie niet tot de conclusie van evidente staatloosheid leidde.
De rechtbank (enkelvoudige kamer, zittingplaats Middelburg) besloot zonder zitting op grond van art. 8:54 Awb. De rechtbank beantwoordde ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang heeft. Zij verwees naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ECLI-uitspraken genoemd in het arrest) waarin is uitgelegd dat de minister in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet verplicht is staatloosheid vast te stellen, tenzij dit noodzakelijk is voor de beslissing. De asielprocedure is primair gericht op het al dan niet verlenen van asielrechtelijke bescherming; omdat aan [eiser] die bescherming is verleend door de afgifte van de verblijfsvergunning, is de asielprocedure en het tegen de inwilliging gerichte beroep niet de aangewezen weg om staatloosheid vast te laten stellen.
Voorts wees de rechtbank op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (Wvs), die op 1 oktober 2023 in werking trad: via die procedure kan [eiser] verzoeken om wijziging van zijn nationaliteit in de Basisregistratie Personen bij het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats; na onherroepelijkheid van de asielbeslissing is ook een civielrechtelijk verzoek bij de rechtbank tot vaststelling van staatloosheid mogelijk.
Gevolg: de rechtbank oordeelde dat [eiser] geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het besluit voor zover het betrekking heeft op de vraag van staatloosheid/registratie van nationaliteit, en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan op 25 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp (rechter), griffier mr. P. Lukanika. Daarnaast is vermeld dat tegen deze uitspraak een verzetschrift binnen zes weken mogelijk is.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
aanmerking van nationaliteit als onbekend i.p.v. als staatloos, geen procesbelang, Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.43753
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 16 augustus 2022 ingewilligd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 2003 en is van Palestijnse afkomst. Eiser heeft op 16 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit voor zover daarin is overwogen dat hij niet als staatloos wordt aangemerkt, maar dat zijn nationaliteit onbekend is. Hij betoogt dat hij procesbelang heeft ten aanzien van een juiste registratie van zijn nationaliteit als staatloos. Hij verwijst daarbij naar werkinstructies 2020/19 (Palestijnen) en 2025/7 (Beoordelen evidente staatloosheid), waaruit volgt dat verweerder de beoordeling van staatloosheid uitvoert wanneer eiser hierom verzoekt in de asielprocedure. Daarnaast stelt hij te beschikken over de documentatie die volgens werkinstructie 2020/19 van belang is voor Palestijnen uit Syrië. Niet duidelijk is waarom deze documentatie niet had moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van evidente staatloosheid. Daarmee is de motivering dat eiser niet als staatloos is aan te merken ontoereikend.
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder, zolang dit niet noodzakelijk is voor zijn beslissing, niet verplicht is om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is.
6. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat op 1 oktober 2023 de Wvs
7. Eiser heeft geen procesbelang bij het door hem ingestelde tegen beroep tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.