ECLI:NL:RBDHA:2026:26880 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22724
Samenvatting
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer]), bijgestaan door mr. M.K. Bulthuis. Verweerder: de minister van Asiel en Migratie.
Feiten en procedureverloop
- In een eerdere procedure (ECLI NL25.21055) had de rechtbank de minister verplicht binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser en was bij overschrijding een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd.
- Omdat de minister volgens eiser opnieuw niet tijdig op de aanvraag van 16 januari 2024 zou hebben beslist, stelde eiser een tweede beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
- De rechtbank liet partijen weten geen zitting nodig te achten; partijen hebben geen zitting verzocht, zodat de zaak zonder zitting is behandeld.
Ontvankelijkheid en gegrondheid
- De rechtbank overweegt dat voor een beroep tegen niet‑tijdig beslissen eerst een ingebrekestelling vereist is (art. 6:12 Awb), maar dat bij een opvolgend beroep op dezelfde aanvraag een nieuwe ingebrekestelling niet nodig is.
- Omdat de minister niet binnen de door de eerdere uitspraak gestelde termijn van zestien weken heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Rechtsgrond en beslistermijn
- De rechtbank beoordeelt de juiste termijn mede in het licht van de recente invoering van het EU Asiel- en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) die op 12 juni 2026 in werking is getreden en waardoor de (nationale) voornemenprocedure vervalt. Daardoor kan na het gehoor sneller tot besluitvorming worden overgegaan.
- De rechtbank stelt haar eerdere praktische model (8+8 weken: acht weken voor het gehoor en acht weken daarna voor besluitvorming) bij en hanteert voortaan een 8+4‑wekenmodel (acht weken voor het gehoor, vier weken daarna).
- Voor zaken waarin de bovengrens van 21 maanden is overschreden acht de rechtbank een nog kortere termijn passend: als uitgangspunt zes weken vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak.
- Toegepast op dit dossier: er heeft op 29 augustus 2025 een nader gehoor plaatsgevonden; gelet op het tijdsverloop moet de minister in dit geval binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit nemen. De termijn vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Dwangsom
- De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op en volgt onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026 over uniformering van de rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken.
- De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van €50 per dag verschuldigd is indien hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Bij opvolgend beroep wordt geen hogere dwangsom opgelegd.
Proceskosten en verdere beslissingen
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467.
- De uitspraak: beroep gegrond, het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd (als een besluit gelijkgesteld), de minister wordt opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen, de dwangsom van €50 per dag (max. €15.000) wordt opgelegd en de proceskosten van €467 worden toegewezen aan eiser.
Recht op hoger beroep
- Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; bij spoed kan om een voorlopige voorziening worden verzocht.
Uitspraak door mr. H. Hanssen‑Telman, rechter; griffier A.W. Landman.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Opvolgend BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22724
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard.
1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 16 januari 2024.
1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.
3. In de uitspraak van 22 juli 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.