ECLI:NL:RBDHA:2026:26454 Rechtbank Den Haag , 10-09-2026 / NL26.15015
Samenvatting
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer]), vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof. Gedaagde: de minister van Asiel en Migratie. Rechtbank: Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, enkelvoudige kamer; zaaknummer NL26.15015. Rechter: mr. H. Hanssen-Telman; griffier: A.W. Landman.
Feiten en procesverloop
- Eiser diende een asielaanvraag in op 27 juni 2023. In eerdere procedures had de rechtbank (zittingsplaats Utrecht) het besluit van de minister vernietigd wegens niet tijdig beslissen en de minister een termijn van 8 weken opgelegd (ECLI NL24.40037). Een later door de minister genomen inhoudelijk besluit van 5 maart 2025 werd eveneens vernietigd door de rechtbank Zwolle; de minister kreeg toen een beslistermijn van 12 weken (ECLI NL25.15352).
- In deze procedure stelt eiser opnieuw dat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank heeft partijen schriftelijk gevraagd of een zitting nodig was; partijen vroegen geen zitting, zodat de zaak schriftelijk is afgedaan (artikel 8:57 Awb).
Juridische beoordeling
- Voorwaarde voor een beroep wegens niet tijdig beslissen is in beginsel dat eiser de minister eerst door middel van een ingebrekestelling aanschrijft om binnen twee weken alsnog te beslissen (artikel 6:12 Awb). Bij een opvolgend (tweede) beroep tegen hetzelfde niet-tijdig-beslissen is geen nieuwe ingebrekestelling vereist (Vaste jurisprudentie RvS).
- In een eerdere uitspraak van 22 december 2025 had de rechtbank de minister een beslistermijn van twaalf weken opgelegd; de minister heeft binnen die termijn niet beslist. De rechtbank verklaart het beroep daarom ontvankelijk en gegrond.
Wijziging beslistermijnbeleid en toepassing in deze zaak
- De rechtbank bespreekt recente wettelijke en regelgevende wijzigingen: met inwerkingtreding van het EU Asiel- en migratiepact (per 12 juni 2026) vervalt de zogenaamde voornemenprocedure omdat deze niet in de Procedureverordening is opgenomen. Dit versnelt de besluitvorming na het gehoor.
- De rechtbank past haar eerdere 8+8-wekenmodel (8 weken voor gehoor + 8 weken voor besluitvorming) niet langer toe en introduceert voortaan een 8+4-wekenmodel: 8 weken voor het houden van het gehoor en 4 weken voor het nemen van een besluit na dat gehoor.
- Voor zaken waarin de maximale behandelingsduur van 21 maanden is overschreden, acht de rechtbank een nog kortere beslistermijn passend. Als uitgangspunt geldt een termijn van zes weken na kennisgeving van de uitspraak; die termijn begint de dag na bekendmaking van de uitspraak. In het onderhavige geval heeft op 13 augustus 2024 een nader gehoor plaatsgevonden, zodat voor deze zaak praktisch nog twee weken resteren. De minister moet daarom binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog beslissen.
Dwangsom en proceskosten
- De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op en volgt onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026 voor uniformering. De dwangsom wordt vastgesteld op €50 per dag dat de minister de opgelegde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000 (grondslag: artikel 8:55d Awb en aanbeveling LOVB).
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser: €467 (vastgesteld conform Besluit proceskosten bestuursrecht, puntwaardering voor gemachtigde).
Beslissing van de rechtbank (samengevat)
- Het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.
- De minister wordt opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag te nemen.
- Bij overschrijding van die termijn is de minister aan eiser een dwangsom van €50 per dag verschuldigd, tot maximaal €15.000.
- De minister betaalt de proceskosten van eiser ad €467.
- Informatie over hoger beroep: partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; bij spoed kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In een eerdere beroepsprocedure ten aanzien van het niet tijdig beslissen op de aanvraag heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het besluit van de minister vernietigt. De minister moest binnen een termijn van achtweken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag.
1.1. Het hierna door de minister genomen inhoudelijk besluit van 5 maart 2025 is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, vernietigd. De minister moest binnen de termijn van twaalf weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag.
1.2. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 27 juni 2023.
1.3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.
3. In de uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van twaalf weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.