ECLI:NL:RBDHA:2026:26097 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.27211
Samenvatting
Eiser [naam] (v-nummer [nummer], gemachtigde mr. I.M. Hidding) heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 oktober 2023. Verweerder is de minister van Asiel en Migratie. In een eerdere procedure stelde de rechtbank te Arnhem op 17 oktober 2025 al dat de minister binnen acht weken moest beslissen en dat bij overschrijding een dwangsom van €100 per dag (maximaal €15.000) zou gelden. Omdat de minister ook vervolgens niet tijdig heeft beslist, richtte eiser een tweede beroep tot de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen.
Procedurele toets
- Voor een beroep wegens niet tijdig beslissen is oorspronkelijk een ingebrekestelling vereist (Awb). Voor een opvolgend beroep op dezelfde aanvraag is geen nieuwe ingebrekestelling nodig. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond nu de minister de in de eerdere uitspraak gestelde beslistermijn niet heeft nageleefd.
Materiële motivering en wijziging beslistermijn
- De rechtbank bespreekt recente wets- en beleidsontwikkelingen: met inwerkingtreding van het EU Asiel- en migratiepact per 12 juni 2026 vervalt de zogenoemde voornemenprocedure, waardoor na het gehoor sneller besloten kan worden (verwijzing naar Verordening (EU) 2024/1348 en nationale uitvoeringswetgeving).
- De rechtbank wijzigt haar eerdere praktijk (het 8+8-wekenmodel: acht weken voor het gehoor en acht weken daarna voor besluitvorming). Voortaan hanteert zij het 8+4-wekenmodel: acht weken voor het gehoor en vier weken voor besluitvorming na het gehoor.
- Voor gevallen waarin de totale behandeltijd de bovengrens van 21 maanden heeft overschreden, oordeelt de rechtbank dat een kortere beslistermijn passend is en stelt zij een systematiek van halvering van de normale termijn voor, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen. In de onderhavige zaak zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond. Derhalve legt de rechtbank een gehalveerde termijn op: zes weken (4+2) waarbinnen de minister alsnog moet besluiten. De termijn vangt aan de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
Dwangsom en proceskosten
- De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op en sluit zich onverkort aan bij de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026, die streeft naar uniformering en uitvoerbaarheid. De minister is aangeslagen op een dwangsom van €50 per dag bij overschrijding van de opgelegde beslistermijn, met een maximum van €15.000.
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser: vastgesteld op €467.
Beslissing (samengevat)
- Het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.
- De minister is opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag van 24 oktober 2023.
- Bij overschrijding is de minister aan eiser een dwangsom van €50 per dag (max. €15.000) verschuldigd.
- De minister moet de proceskosten van eiser ad €467 vergoeden.
Toelichting: de uitspraak is gewezen door mr. L.J. van der Veen; bekendmaking geschiedde geanonimiseerd via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27211
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer [nummer], (gemachtigde: mr. I.M. Hidding), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 24 oktober 2023.
1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.
3. In de uitspraak van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van acht weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.