Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25600

ECLI:NL:RBDHA:2026:25600 Rechtbank Den Haag , 04-09-2026 / NL26.21209
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en procesverloop Eiser is [naam] (V-nummer: [nummer]), bijgestaan door mr. D. de Vries. Respondent is de minister van Asiel en Migratie. De zaak (nr. NL26.21209) werd behandeld door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (rechter: mr. M. Munsterman; griffier: A.W. Landman). Dit betreft een vervolgprocedure: in een eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (NL25.34938), was het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en was de minister een beslistermijn van vier weken opgelegd met een dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) indien overschreden. Eiser vervolgde de procedure omdat de minister niet tijdig zou hebben beslist over de asielaanvraag van 20 september 2023.

De rechtbank heeft partijen schriftelijk laten weten dat een mondelinge zitting niet nodig werd geacht; partijen verzochten geen zitting, waarna het onderzoek schriftelijk werd gesloten.

Ontvankelijkheid en grond van het beroep De rechtbank bespreekt de ingebrekestelling: bij een eerst beroep is een ingebrekestelling vereist (Awb-art. 6:12), maar bij een opvolgend (tweede) beroep op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. De eerdere uitspraak van 7 oktober 2025 had de minister een beslistermijn van vier weken opgelegd; die termijn is door de minister niet nagekomen. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond.

Juridische beoordeling van de beslistermijn De rechtbank bespreekt wijzigende rechtskaders. Per 12 juni 2026 is het EU Asiel- en migratiepact in werking getreden; daardoor vervalt de voornemenprocedure omdat deze niet in de nieuwe gemeenschappelijke procedureverordening is opgenomen. Door het vervallen van die procedurestap moet na het gehoor sneller worden beslist. Tot dusver hanteerde deze rechtbank het 8+8-wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken daarna voor besluitvorming), een model dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere uitspraken passend werd geacht. De rechtbank ziet aanleiding dit te herzien en stelt voortaan het 8+4-wekenmodel vast: acht weken voor het horen en vier weken voor besluitvorming na het gehoor.

Voor zaken waarin de maximale termijn van 21 maanden (artikel 35, lid 7 Procedureverordening) is overschreden, is volgens de rechtbank een kortere beslistermijn passend. Als uitgangspunt geldt in die gevallen een termijn van zes weken. In de onderhavige zaak vonden nadere gehoorhandelingen plaats op 21 november 2024 en een aanvullend gehoor op 3 april 2026; gelet op die feiten is de rechtbank van oordeel dat de minister in dit geval binnen twee weken een definitief besluit moet nemen. Die termijn begint te lopen de dag na bekendmaking van de uitspraak.

Rechterlijke dwangsom en proceskosten De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op en volgt daarbij de op 21 mei 2026 door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) vastgestelde aanbeveling voor uniformering van de dwangsompraktijk. In afwijking van de eerdere dwangsom van €100 stelt de rechtbank bij opvolgend beroep een dwangsom van €50 per dag vast indien de door de rechtbank opgelegde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De rechtbank motiveert dit mede met het belang van uitvoerbaarheid en de wens tot uniforme toepassing. De minister wordt voorts veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467 (toegewezen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht: één punt voor het beroepsschrift, waarde per punt en wegingsfactor zoals toegepast).

Beslissing en rechtsmiddelen Samengevat verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt zij het niet tijdig nemen van een besluit (gelijkgesteld met een besluit) en draagt zij de minister op binnen twee weken na de dag van bekendmaking alsnog een besluit op de asielaanvraag bekend te maken. Bij overschrijding van die termijn is de minister aan eisers een dwangsom van €50 per dag verschuldigd, tot maximaal €15.000. De minister is tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser tot €467. De uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman en geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending, met de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening bij spoedeisend belang.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26454
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
11-09-2026 96% soortgelijk
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer]), vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof. Gedaagde: de minister van Asiel en Migratie. Rechtbank: Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, enkelvoudige kamer; zaaknummer NL26.15015. Rechter: mr. H. Hanssen-Telman; griffier: A.W....
ECLI:NL:RBDHA:2026:1374
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
28-01-2026 96% soortgelijk
Partijen en procedure Eiser, aangeduid als [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. A.M. Veld), vordert tegen de minister van Asiel en Migratie. De zaak is behandeld door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank...
ECLI:NL:RBDHA:2026:3635
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
24-02-2026 96% soortgelijk
Partijen en instantie Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer]), bijgestaan door mr. M.K. Bulthuis. Gedaagde: de minister van Asiel en Migratie. Rechtbank: Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, enkelvoudige kamer (mr. H. Hanssen-Telman, rechter; V.M....
ECLI:NL:RBDHA:2026:2471
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
11-02-2026 96% soortgelijk
Partijen en procedure Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer]), bijgestaan door mr. P.J. Schüller. Gedaagde: de minister van Asiel en Migratie. Rechtbank: Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, enkelvoudige kamer (zaaknummer NL25.57902). Beslissing samengesteld door...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26097
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 96% soortgelijk
Eiser [naam] (v-nummer [nummer], gemachtigde mr. I.M. Hidding) heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 oktober 2023. Verweerder is de minister van Asiel...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT asiel, twee weken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21209

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van vier weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 20 september 2023.

1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.

3. In de uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van vier weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.

4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.

6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.

7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.

8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Als uitgangspunt geldt dat de minister binnen een termijn van zes weken een besluit moet nemen. In dit geval heeft op 21 november 2024 een nader gehoor en op 3 april 2026 een aanvullend gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twee weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. Bij een opvolgend beroep wordt geen hogere dwangsom opgelegd. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.

12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

NL25.34938 Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673 . Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU. Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127\. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47. ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020 . Uitspraak van 29 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats: ECLI:NL:RBDHA:2026:21149 . Artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353 . Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd. Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.