ECLI:NL:RBDHA:2026:26102 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.26954
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen), enkelvoudige kamer, zaaknr. NL26.26954. Eiser: [naam] (V‑nr. [nummer], gemachtigde mr. M. Rasul). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie. Rechter: mr. L.J. van der Veen; griffier: A.W. Landman.
Feiten en procesverloop
- Eiser diende een asielaanvraag in op 10 september 2025. De beslistermijn zoals bedoeld in artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 is verstreken.
- Na het verstrijken van die termijn verzocht eiser de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen (artikel 6:12 Awb). De minister voldeed niet, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank (artikel 6:12 Awb jo. artikel 8:72 Awb).
Beoordeling en juridische motivering
- De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond: de minister heeft niet tijdig beslist en heeft niet binnen de gestelde hersteltermijn gehandeld.
- Relevante wijziging in het recht: per 12 juni 2026 is het EU‑Asiel‑ en migratiepact in werking getreden (met name Verordening (EU) 2024/1348) en is de Nederlandse uitvoeringswet van 27 mei 2026 van toepassing gekomen. Daardoor is de tot dan toe gebruikte “voornemenprocedure” komen te vervallen omdat deze procedurestap niet in de nieuwe Procedureverordening is opgenomen. Volgens de rechtbank leidt het verval van die procedure tot versnelde besluitvorming na het gehoor over asielmotieven.
- Tot voor kort hanteerde deze rechtbank het 8+8‑wekenmodel (acht weken voor het gehoor, aansluitend acht weken voor besluitvorming), wat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als passend was aangemerkt (ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ECLI:NL:RVS:2024:5020). Gelet op de wets- en regelgevingswijzigingen en de versnelde procedure na het vervallen van de voornemenprocedure, herzien de rechtbank en zittingsplaats dit beleid en stellen zij voortaan het 8+4‑wekenmodel vast: acht weken voor het houden van het gehoor en vier weken voor de besluitvorming daarna.
- Conclusie rechtsregel: de totale redelijke beslistermijn wordt daarmee twaalf weken vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Dwangsom en proceskosten
- De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, aanbeveling 21 mei 2026) om uniformiteit en uitvoerbaarheid te bevorderen.
- De minister is veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €50 per dag dat de opgelegde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000 (grondslag en systematiek verwijzend naar artikel 8:55d Awb en LOVB‑aanbeveling).
- De minister is veroordeeld in de proceskosten van eiser voor een bedrag van €467 (vaststelling op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand).
Beslissing van de rechtbank (samengevat)
- Het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd (gelijkgesteld met een besluit).
- De minister wordt opgedragen binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
- Bij overschrijding van die termijn: €50 per dag aan dwangsom met een maximum van €15.000.
- De minister draagt de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467.
Beschikbaarheid hoger beroep
- Vermelding dat partijen binnen vier weken hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en dat in spoedeisende gevallen een voorlopige voorziening kan worden gevraagd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26954
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 10 september 2025.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
9. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.