ECLI:NL:RBDHA:2026:26103 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.26909
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen), zaaknummer NL26.26909 — kort geding in bestuursrecht tussen [naam] (eiser; V-nummer [nummer]; gemachtigde: mr. A.S. Sewman) en de minister van Asiel en Migratie.
Feiten en verloop
- Eiser diende een asielaanvraag in op 21 oktober 2025. De beslistermijn ex artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 is daarna verstreken.
- Na het verstrijken van die termijn verzocht eiser de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen. De minister heeft niet binnen die termijn beslist. Eiser bracht beroep volgens artikel 6:12 Awb aanhangig bij de rechtbank.
Beoordeling en juridische motivering
- De rechtbank acht het beroep ontvankelijk en gegrond: de minister heeft niet tijdig beslist terwijl de wettelijke beslistermijn was verstreken en het verzoek van eiser om binnen twee weken te beslissen onbeantwoord bleef.
- De rechtbank beoordeelt tevens de toepasselijke termijn voor besluitvorming na het gehoor. Sinds inwerkingtreding van het EU-Asiel- en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) per 12 juni 2026 is de Nederlandse “voornemenprocedure” komen te vervallen, omdat die procedurestap niet in de gemeenschappelijke Procedureverordening is opgenomen. Daardoor is snellere besluitvorming na het gehoor mogelijk en wenselijk.
- Waar deze zittingsplaats tot dan toe het 8+8‑wekenmodel (8 weken voor het gehoor, aansluitend 8 weken voor besluitvorming) hanteerde — een model dat eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als passend werd beschouwd — wijzigt de rechtbank dit beleid en stelt het 8+4‑wekenmodel in: 8 weken voor het houden van het gehoor en vervolgens 4 weken voor het nemen van het besluit.
- Op grond hiervan legt de rechtbank een totale beslistermijn van twaalf weken op, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
Dwangsom en proceskosten
- De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op. Gevolgd wordt de landelijke aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, 21 mei 2026) voor uniformering en uitvoerbaarheid.
- De dwangsom bedraagt €50 per dag dat de minister de door de rechtbank gestelde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000 (artikel 8:55d Awb).
- De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser; deze worden vastgesteld op €467 (Berekening op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht).
Beslissing (samengevat)
- Het beroep wordt gegrond verklaard.
- Het eerdere niet-tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd en als besluit gelijkgesteld.
- De minister wordt opgedragen binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
- Bij overschrijding van die termijn is de minister aan eiser een dwangsom van €50 per dag verschuldigd, tot maximaal €15.000.
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot €467.
Procedurele gegevens
- Uitspraak door mr. L.J. van der Veen; griffier A.W. Landman. Mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak; bij spoed kan voorlopige voorziening worden verzocht.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26909
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 21 oktober 2025.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
9. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.