ECLI:NL:RBDHA:2026:26090 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.27455
Samenvatting
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (zaaknummer NL26.27455) heeft uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen [naam] (eiser, V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. M.R. Verdoner) en de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 18 september 2025 een asielaanvraag ingediend; de wettelijke beslistermijn is daarna verstreken. Eiser verzocht de minister na het verstrijken van die termijn nog om binnen twee weken te beslissen (verwijzend naar art. 6:12 Awb), waarop de minister niet besliste, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank. Partijen hebben geen zitting gewenst; de rechtbank behandelde de zaak schriftelijk (artikel 8:57 Awb).
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond. Kern van de motivering is dat de beslistermijn ex artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 is overschreden en dat de minister nog geen besluit heeft genomen. De rechtbank neemt daarbij expliciet in aanmerking dat met inwerkingtreding van het EU-Asiel- en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) per 12 juni 2026 de zogenaamde voornemenprocedure is vervallen (en daarvoor niet in de Procedureverordening is opgenomen). Door het vervallen van die procedurestap kan na het horen over asielmotieven sneller worden beslist.
Op basis van die ontwikkelingen wijzigt de rechtbank haar eerdere termijnbeleid. Waar tot dusver het regionale 8+8-wekenmodel (acht weken voor het gehoor en vervolgens acht weken voor de besluitvorming) werd gehanteerd en door de Afdeling bestuursrechtspraak eerder als passend werd beschouwd, hanteert de rechtbank voortaan een 8+4-wekenmodel: acht weken voor het houden van het gehoor en vier weken voor het nemen van een besluit daarna, zodat de minister in totaal twaalf weken heeft om alsnog te beslissen. De termijn gaat in op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, 21 mei 2026). De minister is gehouden een dwangsom van €50 per dag te betalen bij overschrijding van de opgelegde beslistermijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank verwijst naar artikel 8:55d Awb als grondslag voor de dwangsomregeling.
Verder is de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467. De uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen (rechter) in aanwezigheid van A.W. Landman (griffier). Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken; bij spoed kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27455
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 18 september 2025.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
9. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.