ECLI:NL:RBDHA:2026:26444 Rechtbank Den Haag , 10-09-2026 / NL26.21984
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen), zaaknummer NL26.21984: eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde mr. B.H. Werink) heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 21 maart 2024. Nadat de beslistermijn was verstreken verzocht eiser de minister nog om binnen twee weken te beslissen; dat verzoek bleef zonder gevolg, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank sloot het onderzoek zonder zitting omdat partijen geen zitting wensten.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Feitenrechtelijk staat vast dat de beslistermijn is overschreden en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn heeft beslist. Juridisch baseert de rechtbank haar beslissing op onder meer artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 en procedurebepalingen van de Algemene wet bestuursrecht voor handhaving van tijdige besluitvorming.
De rechtbank past haar interne termijnbeleid aan. Tot op heden hanteerde deze zittingsplaats het 8+8‑wekenmodel (acht weken voor het horen, daarna acht weken voor besluitvorming), maar na inwerkingtreding van het EU‑Asiel- en migratiepact (verordening (EU) 2024/1348) per 12 juni 2026, waarmee de voornemenprocedure verviel, acht de rechtbank snellere besluitvorming passend. Daarom vervangt zij het 8+8‑model door een 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het gehoor en vier weken voor het nemen van het besluit.
Omdat in deze zaak de wettelijke bovengrens van 21 maanden is overschreden, beslist de rechtbank dat een verkorte beslistermijn passend is en past zij halvering toe van de op te leggen termijn (tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen). Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn hier niet aangetoond, zodat de minister is opgedragen binnen zes weken (concreet 4+2 weken) na dagtekening van de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op overeenkomstig de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, aanbeveling van 21 mei 2026): €50 per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Verder veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467.
De beslissing (uitgesproken door mr. A.G.D. Overmars, griffier A.W. Landman) vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit, draagt de minister op binnen zes weken alsnog te beslissen, stelt de dwangsomregeling vast en wijst proceskosten toe. Tegen deze uitspraak staat binnen vier weken hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21984
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 21 maart 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen