Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:26874

ECLI:NL:RBDHA:2026:26874 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22318
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Eiser [naam] (V‑nummer: [nummer], gemachtigde mr. U.H. Hansma) heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 7 september 2023. Nadat de beslistermijn was verstreken had eiser de minister verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen; daarop bleef een besluit uit, waarna eiser naar de rechtbank stapte (zaaknr. NL26.22318, zittingsplaats Groningen).

De enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag (mr. H. Hanssen‑Telman; griffier A.W. Landman) behandelde de zaak zonder mondelinge zitting. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn inderdaad was overschreden en verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond.

Juridische motivering en maatstaf:

  • De rechtbank neemt bij asielzaken voortaan het zogeheten 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het houden van het gehoor en vervolgens vier weken voor het nemen van het besluit. Deze wijziging volgt onder meer uit de inwerkingtreding van het EU‑Asiel‑ en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348), dat per 12 juni 2026 de voornemenprocedure heeft doen vervallen en daarmee versnelde besluitvorming beoogt.
  • Omdat in deze zaak de bovengrens van 21 maanden (artikel 35, zevende lid Procedureverordening) reeds was overschreden, vindt de rechtbank een kortere beslistermijn passend en past zij de door haar op te leggen termijn in dergelijke gevallen systematisch aan door deze te halveren, tenzij bijzondere omstandigheden dat tegenhouden. Dergelijke bijzondere omstandigheden waren hier niet aangetoond.
  • Toegepast op deze zaak resulteert dat de minister binnen zes weken (aangeduid als 4+2 weken) na de dag na bekendmaking van de uitspraak een besluit moet nemen.

Dwangsom en proceskosten:

  • De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB): €50 per dag dat de minister de opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
  • De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser: €467 (berekening op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt à €934 met wegingsfactor 0,5).

Beslissing kort samengevat:

  • het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd;
  • de minister moet binnen zes weken na bekendmaking alsnog besluiten;
  • bij overschrijding geldt €50 per dag, max. €15.000;
  • minister betaalt proceskosten van €467.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken (met mogelijkheid tot verzoek om voorlopige voorziening bij spoed).

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:24092
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
25-08-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer: [nummer]), gemachtigde mr. A. de Haan, voerde procedure tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 oktober 2023. De zaak...
ECLI:NL:RBDHA:2025:22763
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
02-12-2025 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V‑nr. [nummer], gemachtigde: mr. S.R. Nohar) heeft bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (enkelvoudige kamer; rechter: mr. A. Sibma; griffier: A.W. Landman) beroep ingesteld tegen de minister van Asiel...
ECLI:NL:RBDHA:2026:25605
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
04-09-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V-[nummer], gemachtigde mr. A.M. Veld) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie inzake het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 4 januari 2024 (zaaknummer NL26.12757,...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26092
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V‑nummer [nummer], gemachtigde mr. B. de Haan) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie dat de minister alsnog beslist op zijn asielaanvraag van 16 oktober 2025 nu de beslistermijn...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26414
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
11-09-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (v‑nummer [nummer], gemachtigde mr. T. der Bedrosian) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie dat de minister alsnog beslist op zijn asielaanvraag van 17 oktober 2023. De zaak werd...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT asiel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22318

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 7 september 2023.

1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.

5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.

6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.

7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. Dergelijke omstandigheden ontbreken.

8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.

12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU. Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127\. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47. ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020 . Uitspraak van 29 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats: ECLI:NL:RBDHA:2026:21149 . Artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353 . Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd. Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.