ECLI:NL:RBDHA:2026:26878 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22670
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen), enkelvoudige kamer, zaaknr. NL26.22670. Eiser is [naam] (V-nummer [nummer]), bijgestaan door mr. M.J. Verwers. Verweerder is de minister van Asiel en Migratie. De procedure betreft een beroep wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 23 september 2024. De rechtbank stelde het onderzoek schriftelijk vast en hield geen zitting omdat partijen geen zitting wensten.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn verstreken is; eiser had de minister na termijnverstrijking verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen, wat niet geschiedde, waarna eiser beroep instelde. Op grond van de toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en gegrond.
Bij de motivering speelt de recente inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact (per 12 juni 2026) een rol. Door dat pact vervalt de voornemenprocedure omdat die stap niet in de gemeenschappelijke Procedureverordening is opgenomen; dit leidt tot snellere besluitvorming na het gehoor. De rechtbank vermeldt dat zij en haar zittingsplaats tot voor kort het 8+8‑wekenmodel hanteerden (acht weken voor het gehoor, aansluitend acht weken voor beslissing), een model dat eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als passend werd aangemerkt. De rechtbank heeft dit model herzien en introduceert voortaan een 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het houden van het gehoor en vier weken voor het nemen van het besluit na het gehoor.
Verder geldt dat wanneer de wettelijke bovengrens van 21 maanden voor de procedure is overschreden, de rechtbank een kortere beslistermijn passend acht. In die gevallen halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen; die bijzondere omstandigheden zijn hier niet aangetroffen. Concreet bepaalt de rechtbank dat de minister binnen zes weken (berekend als 4+2) na de dag na bekendmaking van de uitspraak een besluit moet nemen.
De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op en volgt daarbij onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) om uniformiteit en uitvoerbaarheid te bevorderen. De dwangsom bedraagt €50 per dag dat de minister de opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467.
De beslissing luidt samengevat: het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd; de minister wordt opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen; bij overschrijding is de minister een dwangsom verschuldigd (€50 per dag, max. €15.000); en de minister moet de proceskosten van €467 vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken; bij spoed kan voorlopige voorziening worden gevraagd. De uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen‑Telman, griffier A.W. Landman.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
** RECHTBANK DEN HAAG**
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22670
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 23 september 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen