Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:26877

ECLI:NL:RBDHA:2026:26877 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22690
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. H.A. Koning) heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat op zijn asielaanvraag van 10 juli 2024 niet tijdig is beslist. Na het verstrijken van de beslistermijn verzocht eiser de minister nog om binnen twee weken te beslissen; die beslissing bleef uit, waarna eiser naar de rechtbank stapte. De rechtbank hield geen mondelinge zitting omdat partijen dat niet verlangden en sloot het schriftelijk onderzoek.

Feiten en ontvankelijkheid

  • De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn ingevolge artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 is verstreken en dat eiser tijdig een navordering (verzoek om binnen twee weken te beslissen) heeft gedaan. De minister heeft niet binnen die termijn beslist, zodat het beroepschrift ontvankelijk is.

Rechtskader en motivering

  • De rechtbank houdt rekening met de inwerkingtreding van het EU‑Asiel‑ en migratiepact en de daaraan verbonden Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Per 12 juni 2026 is de voornemenprocedure komen te vervallen; dat verkort de benodigde procedurestappen na het gehoor en maakt snellere besluitvorming mogelijk.
  • Voorheen hanteerde deze rechtbank het zogeheten 8+8‑wekenmodel (8 weken voor het gehoor en daarna 8 weken voor besluitvorming), een model dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als passend was aangemerkt. Naar aanleiding van nieuwe regelgeving en eigen jurisprudentie heeft de rechtbank dit herzien en geldt voortaan het 8+4‑wekenmodel: 8 weken voor het houden van het gehoor en 4 weken voor het nemen van het besluit daarna.
  • De Procedureverordening kent een bovengrens van 21 maanden voor de totale behandeling; wanneer die bovengrens in een zaak al is overschreden, acht de rechtbank een verkorte beslistermijn passend en past zij standaard halvering van de op te leggen termijn toe, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. In deze zaak waren dergelijke bijzondere omstandigheden niet gegeven.

Beslissing en termijn

  • Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt zij het niet‑tijdig nemen van een besluit en draagt zij de minister op alsnog een besluit te nemen.
  • Omdat de 21‑maandengrens in dit dossier is overschreden, halveert de rechtbank de gebruikelijke termijn; concreet moet de minister binnen zes weken (opgebouwd als 4+2) na de dag na bekendmaking van deze uitspraak beslissen.

Dwangsom en proceskosten

  • De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op en volgt daarbij onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB). De dwangsom bedraagt €50 per dag dat de minister de opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
  • De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467 (vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand).

Formeel

  • Uitspraak door mr. H. Hanssen‑Telman, in aanwezigheid van griffier A.W. Landman; openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
  • Tegen deze uitspraak staat binnen vier weken hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; bij spoed kan verzoek worden gedaan om een voorlopige voorziening.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26120
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 96% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], bijgestaan door mr. J. Eliya) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie spoedige beslissing op zijn asielaanvraag van 2 juli 2024 omdat de beslistermijn is verstreken. Na...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26109
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 96% soortgelijk
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. U.H. Hansma) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 juni 2024. Na het verstrijken van...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26876
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
15-09-2026 96% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde mr. R.P.M. Ngasirin) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 21 november 2024. Eiser had, nadat de beslistermijn...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26106
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 95% soortgelijk
Eiser is [naam] (V-nummer: [nummer]), bijgestaan door mr. H. Meijerink. Verweerder is de minister van Asiel en Migratie. Eiser vroeg beslissing op zijn asielaanvraag van 29 oktober 2023; de beslistermijn is verstreken....
ECLI:NL:RBDHA:2026:24852
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
31-08-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V-[nummer], gemachtigde mr. C.K.E.E. Fischer‑Fuhler) vordert jegens de minister van Asiel en Migratie nadat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 2 juli 2024. Eiser verzocht de...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT asiel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22690

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. H.A. Koning),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 10 juli 2024.

1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.

5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.

6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.

7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. Dergelijke omstandigheden ontbreken.

8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.

12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU. Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127\. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47. ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020 . Uitspraak van 29 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats: ECLI:NL:RBDHA:2026:21149 . Artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353 . Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd. Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.