ECLI:NL:RBDHA:2026:26876 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22585
Samenvatting
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde mr. R.P.M. Ngasirin) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 21 november 2024. Eiser had, nadat de beslistermijn was verstreken, de minister verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen; dat verzoek bleef onbeantwoord, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Kern van de motivering:
- Vaststaat dat de beslistermijn (artikel 42 Vreemdelingenwet 2000) is overschreden en dat de minister niet heeft nagekomen aan het verzoek van eiser om alsnog binnen twee weken te beslissen.
- Met ingang van 12 juni 2026 is het EU Asiel- en migratiepact in werking getreden (Verordening (EU) 2024/1348). Door de inwerkingtreding vervalt de voornemenprocedure omdat die niet in de Procedureverordening is opgenomen; dit versnelt de mogelijke besluitvorming na het gehoor.
- De rechtbank past haar eerdere 8+8-wekenpraktijk (8 weken voor het gehoor, vervolgens 8 weken voor besluitvorming) niet langer toe en introduceert een 8+4-wekenmodel: 8 weken voor het houden van het gehoor en 4 weken voor het nemen van het besluit na dat gehoor. Deze aanpassing volgt uit de gewijzigde wettelijke en Europese kaders en eerdere jurisprudentie van de Afdeling (onder meer beslissingen uit 2020 en 2024).
- Omdat in dit concrete geval de (wettelijke) bovengrens van 21 maanden was overschreden (artikel 35, zevende lid Procedureverordening), vindt de rechtbank een kortere beslistermijn passend en past zij haar regel toe om de op te leggen termijn te halveren, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Zulke bijzondere omstandigheden zijn hier niet gesteld.
Gevolg en sanctie:
- De minister wordt bevolen binnen zes weken (samengesteld als 4+2 weken conform de halveringsregel) na de dag volgend op de bekendmaking van dit vonnis alsnog een besluit op de asielaanvraag te nemen.
- Bij niet-nakoming geldt een rechterlijke dwangsom van €50 per dag, met een maximum van €15.000. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op en volgt daarbij onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026 over uniformering en uitvoerbaarheid van dergelijke dwangsommen.
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467.
De uitspraak (door mr. H. Hanssen-Telman, in aanwezigheid van griffier A.W. Landman) vernietigt het feitelijke niet-tijdig nemen van een besluit, draagt de minister op binnen zes weken alsnog te beslissen, legt de genoemde dwangsom op en wijst proceskosten toe. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel, 21 maanden overschreden
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 21 november 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen