ECLI:NL:RBDHA:2026:26120 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.26562
Samenvatting
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], bijgestaan door mr. J. Eliya) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie spoedige beslissing op zijn asielaanvraag van 2 juli 2024 omdat de beslistermijn is verstreken. Na het verstrijken van de termijn verzocht eiser de minister nog om binnen twee weken te beslissen; dat verzoek bleef onbeantwoord, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank liet partijen weten geen zitting nodig te achten; partijen vroegen ook geen zitting, waarna het onderzoek zonder zitting werd gesloten.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Zij constateert dat de beslistermijn zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (art. 42) en de Algemene wet bestuursrecht is verstreken en dat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank motiveert haar beslissing onder meer met recente wijzigingen in het Europese en nationale regelgevingskader: met ingang van 12 juni 2026 is het EU-Asiel- en migratiepact in werking getreden en is de zogeheten voornemenprocedure komen te vervallen omdat deze niet is opgenomen in de Procedureverordening. Daardoor behoort na het gehoor over de asielmotieven sneller te worden besloten.
Tegelijk brengt de rechtbank haar eigen praktijk in lijn met deze ontwikkelingen: zij wijzigt het eerdere 8+8‑wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken daarna voor besluitvorming, model dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder als passend werd gezien) naar een 8+4‑wekenmodel. Concreet blijft acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voortaan vier weken voor het nemen van het besluit na dat gehoor. Omdat in deze zaak bovendien de wettelijke bovengrens van 21 maanden is overschreden (artikel 35, zevende lid, Procedureverordening), acht de rechtbank een kortere termijn passend en past zij de termijn halveringregel toe: de opgelegde beslistermijn wordt gehalveerd tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn hier niet aangetoond.
Op grond daarvan beveelt de rechtbank de minister binnen zes weken (opgetteld als 4+2) na de dag na de bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij niet-naleving legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB): €50 per dag met een maximum van €15.000. De rechtbank baseert zich daarbij op de relevante wettelijke bevoegdheid voor dwangsommen en volgt de LOVB-aanbeveling onverkort om uniformiteit en uitvoerbaarheid te bevorderen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het nalaten van tijdig besluiten en draagt de minister op binnen zes weken te beslissen. Tevens veroordeelt zij de minister tot betaling van proceskosten aan eiser ad €467 (op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt à €934 met wegingsfactor 0,5). De uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen (rechter) in aanwezigheid van A.W. Landman (griffier). Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26562
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. J. Eliya),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 2 juli 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen