Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:26411

ECLI:NL:RBDHA:2026:26411 Rechtbank Den Haag , 10-09-2026 / NL26.26423
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde mr. H.J. Janse) heeft de rechtbank Den Haag/zittingsplaats Groningen gevraagd om de minister van Asiel en Migratie te dwingen alsnog te beslissen op zijn asielaanvraag van 27 maart 2024. Eiser had, nadat de beslistermijn was verstreken, de minister verzocht binnen twee weken te beslissen; daaropvolgend nam de minister geen besluit, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank besloot zonder mondelinge behandeling omdat partijen geen zitting verlangden.

De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond. Zij stelde vast dat de beslistermijn op grond van artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 was verstreken en dat de minister geen beslissing had genomen na het verzoek van eiser (artikelen 6:12 Awb). Op grond van artikel 8:72 Awb moest de rechtbank een passende termijn opleggen waarbinnen alsnog een besluit genomen moet worden.

De rechtbank motiveerde haar termijnkeuze aan de hand van recente wets- en regelgevingsontwikkelingen. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en Migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) in werking getreden en daarmee is de zogeheten voornemenprocedure vervallen omdat die niet in de nieuwe Procedureverordening is opgenomen. Door het vervallen van die procedurecomponent is snellere besluitvorming na het gehoor mogelijk en vereist. Tot voor kort hanteerde deze rechtbank het 8+8-wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken voor beslissing), een model dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere zaken (vgl. ABRvS 8 juli 2020 en 5 december 2024) als passend was aangemerkt. De rechtbank heeft echter het beleid herzien en hanteert voortaan een 8+4-wekenmodel: acht weken voor het houden van het gehoor en vier weken voor het nemen van het besluit na het gehoor.

Daarnaast overwoog de rechtbank dat in zaken waarin de wettelijke bovengrens van 21 maanden (artikel 35 lid 7 van de Procedureverordening) is overschreden, een verkorte beslistermijn passend is. De rechtbank past in die gevallen een halvering van de normale termijn toe, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Omdat in deze zaak geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld, halveerde de rechtbank de 8+4-wekentermijn. Dat resulteerde in een termijn van zes weken (concreet: 4 weken voor beslissing plus 2 weken ter verkorting van de resterende gehoortermijn — aangeduid in het vonnis als 4+2 weken). De termijn vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak.

De rechtbank legde een rechterlijke dwangsom op voor het geval de minister de nieuw opgelegde beslistermijn overschrijdt. Alleen een rechterlijke dwangsom werd opgelegd, in lijn met jurisprudentie. De hoogte van de dwangsom volgt onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026, bedoeld om uniformiteit en uitvoerbaarheid te bevorderen: €50 per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De wettelijke basis voor de dwangsom is artikel 8:55d, tweede lid, Awb.

De rechtbank vernietigde het – met een besluit gelijk te stellen – niet tijdig nemen van een besluit en droeg de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag bekend te maken. Verder veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467 (berekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand: 1 punt à €934 met wegingsfactor 0,5).

De uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen (rechter), in aanwezigheid van A.W. Landman (griffier), en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; een hogerberoepschrift moet binnen vier weken na verzending van de uitspraak worden ingediend. Wie spoed heeft kan de voorzieningenrechter van die Afdeling verzoeken om een voorlopige voorziening.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:22523
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
12-08-2026 96% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde: mr. H. Diepeveen) heeft de rechtbank gepasseerd tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 juli 2024. Na...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26109
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 95% soortgelijk
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. U.H. Hansma) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 juni 2024. Na het verstrijken van...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26120
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], bijgestaan door mr. J. Eliya) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie spoedige beslissing op zijn asielaanvraag van 2 juli 2024 omdat de beslistermijn is verstreken. Na...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26876
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
15-09-2026 95% soortgelijk
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde mr. R.P.M. Ngasirin) vordert tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 21 november 2024. Eiser had, nadat de beslistermijn...
ECLI:NL:RBDHA:2026:26121
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
09-09-2026 95% soortgelijk
Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. J.J. de Vries) voerde namens zichzelf bezwaar/rechtsvordering tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag van 20...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT asiel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.26423

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 27 maart 2024.

1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.

5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.

6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.

7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. Dergelijke omstandigheden ontbreken.

8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.

12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU. Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127\. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47. ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020 . Uitspraak van 29 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats: ECLI:NL:RBDHA:2026:21149 . Artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353 . Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd. Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.