ECLI:NL:RBDHA:2026:26101 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.27372
Samenvatting
Eiser [naam] (V-nummer [nummer], gemachtigde: mr. S. Cetinkaya‑Ahmad) voelde zich benadeeld doordat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 28 september 2024. Eiser verzocht de minister na het verstrijken van de beslistermijn nog om binnen twee weken te beslissen; daaropvolgend bleef een besluit uit en heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. Partijen hebben schriftelijk gehandeld; de rechtbank vond een zitting niet nodig en sloot het onderzoek.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is verstreken en dat eiser tijdig een verzoek tot spoedige beslissing had gedaan. Op grond van de wet- en regelgeving (Awb en Vreemdelingenwet) is het beroep ontvankelijk en gegrond: de minister heeft onrechtmatig gefaald tijdig te besluiten.
Belangrijke rechtsfeiten en motivering:
- Sinds inwerkingtreding van het EU‑Asiel‑ en migratiepact (met name Verordening (EU) 2024/1348) per 12 juni 2026 is de Nederlandse voornemenprocedure komen te vervallen; dat maakt snellere besluitvorming na het gehoor over asielmotieven mogelijk. De rechtbank betrekt deze wijziging in haar termijnbeoordeling.
- De rechtbank laat het eerdere 8+8‑wekenmodel (8 weken voor het gehoor, daarna 8 weken voor besluitvorming) varen en hanteert voortaan een 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het houden van het gehoor en vier weken voor het nemen van een besluit daarna.
- Omdat in deze zaak de wettelijke bovengrens van 21 maanden (Procedureverordening art. 35 lid 7) is overschreden, acht de rechtbank een verkorte beslistermijn passend. De rechtbank past een regeling toe waarbij de opgelegde termijn in dergelijke gevallen wordt gehalveerd, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe nopen; hier zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond.
- Concreet betekent dit dat de minister verplicht is binnen zes weken (berekend als 4+2 weken) na de dag ná bekendmaking van de uitspraak een besluit te nemen.
Dwangsom en proceskosten:
- De rechtbank legt uitsluitend een rechterlijke dwangsom op. In aansluiting op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) op 21 mei 2026 geformuleerde aanbeveling bepaalt de rechtbank een dwangsom van €50 per dag dat de minister de opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
- De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467 (grondslag: Besluit proceskosten bestuursrecht, punten en waardering van de gemachtigde).
Beslissing en gevolgen:
- De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig genomen besluit (of het ontbreken daarvan).
- De minister is opgedragen binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag te nemen; bij overschrijding van die termijn geldt de genoemde dwangsom.
- De uitspraak is gewezen door mr. L.J. van der Veen; griffier A.W. Landman. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27372
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 28 september 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen