ECLI:NL:RBDHA:2026:26107 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.26872
Samenvatting
Zaaknummer NL26.26872 (Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen). Eiser: [naam] (V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. H. Meijerink). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie.
Feiten en procesgang
- Eiser diende een asielaanvraag in op 30 april 2024. De beslistermijn is verstreken zonder dat de minister een besluit nam. Na het verstrijken van die termijn verzocht eiser de minister nog binnen twee weken te beslissen; dat verzoek bleef onbeantwoord. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank. De rechtbank stelde partijen voor dat geen mondelinge behandeling nodig was; partijen vroegen geen zitting, waarna het onderzoek schriftelijk werd gesloten.
Beoordeling en juridische motivering
- De rechtbank constateert dat de beslistermijn volgens artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 is verstreken en dat opvolgende herstelverzoeken van eiser geen besluit tot gevolg hadden. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
- De rechtbank past nieuwe uitgangspunten toe bij het opleggen van een beslistermijn. Per 12 juni 2026 is het EU-Asiel- en migratiepact in werking getreden (Verordening (EU) 2024/1348 en bijbehorende implementatiewet). Daardoor is de voorgenomenprocedure (de “voornemenprocedure”) vervallen en kan na het gehoor sneller worden beslist.
- De rechtbank wijzigt haar eerdere 8+8-wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken daarna voor besluitvorming), dat eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak als passend werd beschouwd. Voortaan hanteert zij het 8+4-wekenmodel: acht weken voor het horen en vier weken voor het nemen van het besluit.
- Voor zaken waarin de maximale behandeltijd van 21 maanden (artikel 35 Procedureverordening) reeds is overschreden, acht de rechtbank een kortere beslistermijn passend. In die gevallen halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen. In de zaak van eiser zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken.
Beslissing (consequenties)
- De minister wordt opgedragen binnen zes weken (berekend als 4 + 2 weken, dus gehalveerd vanwege overschrijding van de 21 maanden) na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag te nemen.
- Ter afdwinging legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op: €50 per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Deze maatregel volgt de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026.
- De minister wordt veroordelend in de proceskosten van eiser: €467 (vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht).
- De rechtbank vernietigt het niet-tijdig nemen van een besluit en verklaart het beroep gegrond.
Formele gegevens en hoger beroep
- Uitspraak door mr. L.J. van der Veen, rechter; griffier A.W. Landman. Beroep in hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak; bij spoed kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Kort: eiser krijgt gelijk wegens niet tijdig beslissen; minister moet binnen zes weken alsnog beslissen, anders loopt een dwangsom van €50 per dag tot maximaal €15.000; minister moet proceskosten betalen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Asiel BNT
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26872
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 30 april 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen