ECLI:NL:RBDHA:2025:7 Rechtbank Den Haag , 02-01-2025 / NL24.28104
Samenvatting
In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, is het beroep van eiser, een staatloze persoon die op 1 mei 2023 een asielaanvraag indiende, tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De minister had de asielaanvraag ingewilligd en eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, maar had zijn nationaliteit als 'onbekend' vastgesteld en hem niet als staatloos geregistreerd, omdat hij geen originele documenten van de General Authority for Palestine Arab Refugees (GAPAR) of de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA) had overgelegd.
Eiser betwistte de vaststelling van zijn nationaliteit en stelde dat hij als staatloos had moeten worden aangemerkt. Hij voerde aan dat de minister de informatie van UNRWA ten onrechte niet had betrokken bij haar besluitvorming. De minister daarentegen stelde dat eiser geen procesbelang had, omdat de asielprocedure niet de juiste weg was om de staatloosheid te betwisten, en verwees naar eerdere rechtspraak die bevestigde dat de minister niet verplicht is om de staatloosheid vast te stellen als dit niet noodzakelijk is voor de beslissing over internationale bescherming.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat hij al de gevraagde asielbescherming had verkregen. De rechtbank bevestigde dat de asielprocedure niet gericht is op het vaststellen van staatloosheid, tenzij dit noodzakelijk is voor de beslissing over asiel. Eiser heeft de mogelijkheid om, na afloop van de asielprocedure, een verzoek tot vaststelling van staatloosheid in te dienen bij de civiele kamer van de rechtbank Den Haag.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk, wat betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van het beroep plaatsvond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter mr. A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt. Eiser heeft de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan binnen vier weken na de uitspraak.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Inwilliging aanvraag asiel. Staatloosheid. Zolang het niet noodzakelijk is voor de beslissing, is de minister niet verplicht om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is. De minister hoefde op grond van WI 2023/10 de evidente staatloosheid niet te beoordelen. De beslissing op de asielaanvraag strekt niet tot de vaststelling dat eiser (evident) staatloos is en daarom was een beoordeling op dit punt niet noodzakelijk voor de beslissing van de minister over de internationale bescherming. Eiser kan een verzoek indienen bij de rechtbank Den Haag (civiele kamer). Eiser heeft geen procesbelang. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28104
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. E. Berger),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 17 juni 2024. De minister heeft met dat besluit de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
1.1. De minister heeft op het beroep gereageerd met een (aanvullend) verweerschrift.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Kalu-Mollema als waarnemer van eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft. Zij legt dit hierna uit.
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] en stelt staatloos te zijn. Eiser heeft op 1 mei 2023 een asielaanvraag ingediend. In het bestreden besluit heeft de minister eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De inwilliging van de gevraagde verblijfsvergunning wordt niet betwist, eiser betwist wel de vaststelling van zijn nationaliteit door de minister. Eiser stelt dat hij als staatloos had moeten worden aangemerkt. Volgens eiser heeft de minister de stukken en de informatie van UNRWA ten onrechte niet bij haar besluitvorming betrokken. Op basis van de stukken van UNRWA en de overige documenten had de minister moeten concluderen dat eiser staatloos is.
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de uitspraak van de Afdeling
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister, zolang dit niet noodzakelijk is voor haar beslissing, niet verplicht is om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is.
7. Uit wat onder 6. is overwogen volgt dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat geldt ook voor het namens eiser op de zitting gedane beroep op het arrest van het Hof
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.