ECLI:NL:RBDHA:2024:14659 Rechtbank Den Haag , 09-09-2024 / NL24.26452
Samenvatting
Op 9 september 2024 heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, uitspraak gedaan in de zaak van een eiser met een onbekende nationaliteit, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, tegen de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. I. Lohmann-Kamphuis. De rechtbank beoordeelde het beroep van de eiser tegen het besluit van de minister van 7 juni 2024, waarin de asielaanvraag van de eiser werd ingewilligd.
De eiser, die stelt een staatloze Palestijn uit Syrië te zijn, betoogde dat de minister ten onrechte zijn nationaliteit als 'Onbekend' had geregistreerd. Hij voerde aan dat deze registratie hem benadeelt, omdat de status van staatloosheid andere rechten en voordelen met zich meebrengt, zoals een kortere naturalisatietermijn. De eiser verwees naar artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, waarin staat dat er procesbelang kan zijn als dit leidt tot andere rechten of voordelen.
De minister betwistte echter dat de eiser procesbelang had en stelde dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechtbank volgde de minister in dit standpunt en verwees naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat de minister niet verplicht is om in het kader van een asielaanvraag vast te stellen of een vreemdeling staatloos is, tenzij dit noodzakelijk is voor de beslissing.
De rechtbank concludeerde dat de asielprocedure niet bedoeld is om de staatloosheid van een vreemdeling vast te stellen. De eiser kan zijn status als staatloze niet via deze procedure aanvechten, maar moet daarvoor gebruikmaken van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, die op 1 oktober 2023 in werking is getreden. Hierdoor had de eiser geen procesbelang bij het beroep tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van de eiser niet-ontvankelijk, wat betekent dat de rechtbank niet inging op de inhoudelijke beroepsgronden van de eiser. De eiser kreeg geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. A.S.W. Kroon en is openbaar gemaakt. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen vier weken hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
geen procesbelang bij procederen tegen vermelding nationaliteit als 'onbekend' in asielbeschikking (ipv gewenste 'staatloos'). Beroep op art 46, tweede lid, Pri slaag niet. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 7 juni 2024. De minister heeft met dat besluit de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Als eisers nationaliteit staat vermeld ‘Onbekend’.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een Palestijn, afkomstig uit Syrië, is. Aan hem is een asielvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. In het besluit waarmee de asielaanvraag van eiser wordt ingewilligd staat vermeld dat zijn nationaliteit ‘Onbekend’ is.
3.1. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte als nationaliteit ‘Onbekend’ heeft aangenomen. Eiser heeft namelijk op meerdere momenten gedurende de aanvraagprocedure verklaard staatloos Palestijn te zijn en heeft ook documenten overgelegd die dat onderbouwen. De minister is daar in het bestreden besluit ten onrechte niet op ingegaan. De minister heeft nagelaten te motiveren op welke grond hij tot de conclusie is gekomen dat eiser niet staatloos is. Eiser betoogt dat hij procesbelang heeft bij deze procedure, omdat de registratie als ‘Staatloos’ andere rechten en voordelen biedt dan de registratie van de nationaliteit als ‘Onbekend’. Eiser leidt uit artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn af dat belang kan bestaan bij het voeren van een procedure als dat ertoe kan leiden dat er andere rechten of voordelen ontstaan. Die rechten en voordelen zijn volgens eiser onder andere gelegen in de mogelijkheid om als staatloze eerder te naturaliseren tot Nederlanders (namelijk al na 3 jaar, in plaats van na 5 jaar). De jurisprudentie over procesbelang is niet in overeenstemming met deze bepaling uit deze richtlijn. Eiser verzoekt om artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn in zijn zaak analoog toe te passen.
3.2. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister, zolang dit niet noodzakelijk is voor zijn beslissing, niet verplicht is om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is.
Conclusie en gevolgen
5.Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank inhoudelijk niet ingaat op de door eiser aangevoerde beroepsgronden. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.