ECLI:NL:RBDHA:2025:12715 Rechtbank Den Haag , 13-05-2025 / NL24.4034
Samenvatting
In de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. M. Issa, en de Minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. W.A. Kleingeld, heeft de Rechtbank Den Haag op 8 april 2025 uitspraak gedaan. Eiser, die stelt staatloos te zijn en geboren op [geboortedatum] 1989, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 januari 2024, waarin hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, maar zijn nationaliteit als 'onbekend' is geregistreerd.
De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit oordeel is gebaseerd op de overweging dat eiser met de verleende asielvergunning al het gevraagde heeft verkregen. De rechtbank oordeelt dat de vaststelling van de nationaliteit, in dit geval de vraag of eiser staatloos is, niet onder de reikwijdte van de asielprocedure valt. Verweerder heeft in het bestreden besluit weliswaar een standpunt ingenomen over de staatloosheid van eiser, maar dit is niet verplicht en valt buiten de criteria die de rechtbank moet toetsen.
Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de gemeente waar eiser is ingeschreven zijn nationaliteit inmiddels heeft aangepast naar 'staatloos' op basis van een verzoek dat is ingediend onder de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, die op 1 oktober 2023 in werking is getreden. Eiser had aangevoerd dat hij procesbelang heeft omdat hij eerder kan naturaliseren als zijn staatloosheid eerder wordt vastgesteld. De rechtbank volgt dit niet, omdat de registratie in de Basisregistratie Personen (Brp) leidend is voor de naturalisatieprocedure.
Concluderend heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser geen rechtens te honoreren belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Beroep tegen vaststelling van de nationaliteit als onbekend en niet als staatloos. Geen (proces)belang bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De vaststelling of eiser staatloos is valt niet onder de reikwijdte van wat verweerder in het kader van een asielaanvraag moet beoordelen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4034
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[v-nummer] , (gemachtigde: mr. M. Issa),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eisers nationaliteit in verweerders systemen geregistreerd blijft staan als ‘onbekend’.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover het ziet op de door verweerder aangehouden nationaliteit (onbekend).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Overwegingen
-
Eiser stelt staatloos te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Volgens hem heeft verweerder ten onrechte zijn nationaliteit als onbekend geregistreerd.
-
De rechtbank beoordeelt het besluit op eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
-
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet (Vw). Hierbij volgt verweerder de identiteit en herkomst van eiser. Verweerder volgt eiser niet in de door hem gestelde Palestijnse nationaliteit, vanwege het ontbreken van de juiste documenten (een origineel Syrisch reisdocument voor Palestijnen/vluchtelingen of een identiteitskaart voor Palestijnen). Gelet daarop blijft de nationaliteit van eiser op ‘onbekend’ staan bij verweerder.
5. In zijn verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft omdat de asielprocedure geen ruimte biedt voor het vaststellen van de nationaliteit en eiser inmiddels in de Basisregistratie personen (Brp) is geregistreerd als ‘staatloos’. Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
6. Eiser is het er niet mee eens dat zijn nationaliteit als onbekend is vastgesteld en niet als staatloos en wil dit in rechte getoetst zien.
7. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Deze vraag rijst omdat er aan hem al een asielvergunning is verleend. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft en overweegt hiertoe het volgende.
8. De aanvraag van eiser strekt tot het verlenen van internationale bescherming. Verweerder heeft deze aanvraag ingewilligd en met de verlening van de asielvergunning heeft eiser dus verkregen wat hij heeft verzocht. De vaststelling of eiser staatloos is valt niet onder de reikwijdte van wat verweerder in het kader van een asielaanvraag moet beoordelen. Dat verweerder in het bestreden besluit onverplicht een uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen over de gestelde staatloosheid van eiser maakt dat niet anders, nu dit standpunt geen onderdeel uitmaakt van de criteria waaraan de rechtbank in deze procedure moet toetsen ( ECLI:NL:RVS:2024:5316 ).
9. Gebleken is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar eiser staat ingeschreven inmiddels de nationaliteit van eiser in de Brp heeft aangepast naar staatloos op basis van een verzoek van eiser op grond van de op 1 oktober 2023 in werking getreden Wet vaststellingsprocedure staatloosheid. Eiser heeft onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 14 januari 2025
10. Gelet op bovenstaande heeft eiser geen rechtens te honoreren belang bij de beoordeling van zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.