ECLI:NL:RBDHA:2022:7920 Rechtbank Den Haag , 28-07-2022 / NL22.5794
Samenvatting
In de zaak tussen [naam], eiser, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, heeft de Rechtbank Den Haag op 16 juni 2022 uitspraak gedaan over de asielaanvraag van eiser. Eiser, geboren in 1976 en staatloos, diende op 18 september 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Deze aanvraag werd aanvankelijk niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk was op basis van de Dublinverordening. Na een mislukte overdracht aan België, kreeg eiser de kans om opnieuw een aanvraag in te dienen, wat hij op 23 september 2020 deed.
Bij het bestreden besluit van 8 maart 2022 wees verweerder de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, maar verleende wel een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid van zijn zoon. Verweerder erkende de gestelde identiteit en herkomst van eiser, maar betwistte zijn staatloosheid, omdat eiser geen bewijsstukken had overgelegd die zijn status als staatloze konden aantonen. De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang had bij de beoordeling van zijn nationaliteit, omdat de asielprocedure primair gericht is op het verlenen van asielrechtelijke bescherming en niet op het vaststellen van staatloosheid.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet kon aantonen dat hij in een voor hem gunstige positie zou komen door de beoordeling van zijn staatloosheid. Eiser had ook geen bewijs geleverd dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kon vertrekken, waardoor de rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was om een buitenschuldvergunning te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het oordeel van verweerder over zijn onbekende nationaliteit, niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan binnen vier weken na bekendmaking van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Staatloosheid, Asiel, niet-ontvankelijk
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.5794
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa).
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de Verlengde Asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2022 op zitting behandeld, te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig mevrouw V.R. Beglaryan, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en staatloos te zijn. Op 18 september 2018 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Bij besluit van 20 februari 2019 is deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft de gestelde identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook de gestelde nationaliteit van eiser heeft verweerder geloofwaardig geacht, althans voor zover eiser stelt dat hij niet de Oekraïense of de Armeense nationaliteit bezit. Verweerder volgt niet dat eiser staatloos is. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Ook kan niet worden vastgesteld dat eiser staatloos is zonder dat de daarvoor bestemde vaststellingsprocedure is doorlopen. Eiser wordt daarom verondersteld van onbekende nationaliteit te zijn. Eisers aanvraag is kennelijk ongegrond omdat wat eiser naar voren heeft gebracht niet ter zake doet voor de vraag of hij in aanmerking komt voor een asielvergunning. Wel heeft verweerder aan eiser een reguliere vergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2]’, de zoon van eiser.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, voor zover verweerder hem daarbij niet als staatloos heeft aangemerkt. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet de Oekraïense of de Armeense nationaliteit bezit. Bovendien is zijn gestelde herkomst geloofwaardig bevonden. Eiser heeft er alles aan gedaan om aan te tonen dat er geen land is waarvan hij de nationaliteit wel heeft. Verweerder miskent dan ook dat eiser in bewijsnood verkeert, nu hij geen documenten kan overleggen waaruit zijn status als staatloze blijkt. Ook kan niet worden tegengeworpen dat eiser de vaststellingsprocedure voor staatloosheid niet heeft doorlopen omdat de Nederlandse wetgeving nog niet in deze procedure voorziet. Voorts heeft eiser aangetoond dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geen buitenschuldvergunning aan hem verstrekt.
De rechtbank overweegt als volgt.
5. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat zij begrip heeft voor de moeilijke positie van eiser. Eiser heeft, zoals verweerder in het bestreden besluit ook heeft onderkend, met documenten aangetoond dat hij niet de nationaliteit van Armenië en Oekraïne heeft. De rechtbank begrijpt dat eiser daar veel moeite voor heeft gedaan. Het is dan ook voorstelbaar dat eiser inmiddels de vraag heeft opgeworpen welke inspanning hij nog moet leveren om aan te tonen dat er geen land (ter wereld) is waar hij de nationaliteit van heeft. De rechtbank zal in het hiernavolgende uitleggen waarom zij deze vraag in het kader van dit beroep niet kan beantwoorden.
6. De rechtbank moet namelijk allereerst beoordelen of eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het oordeel van verweerder dat zijn nationaliteit onbekend is. In dat verband is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in een uitspraak van 7 december 2017
7. Het beroep van eiser is in zoverre niet-ontvankelijk.
8. Het voorgaande neemt niet weg dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft opgemerkt dat eiser de wettelijke procedure voor het vaststellen van staatloosheid had moeten volgen, nu de wet nog altijd niet in een dergelijke procedure voorziet. Dat leidt evenwel niet tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep, gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 6 heeft overwogen.
9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet in het bezit heeft gesteld van een buitenschuldvergunning. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder daar ook niet toe gehouden was. Verweerder is op grond van artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb niet verplicht om bij afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve te beoordelen of aan eiser een vergunning moet worden verstrekt omdat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser pas in aanmerking zou kunnen komen voor (ambtshalve verlening van) een buitenschuldvergunning als hij zonder resultaat heeft geprobeerd te vertrekken.
10. Het beroep is in zoverre ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover dat gericht is tegen het oordeel van verweerder dat de nationaliteit van eiser onbekend is, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.