Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:2026:661

ECLI:NL:PHR:2026:661 Parket bij de Hoge Raad , 07-07-2026 / 24/03611
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Zaaknummer en procespartijen

  • Procureur-generaal M.E. van Wees bij de Hoge Raad der Nederlanden, conclusie d.d. 7 juli 2026, zaaknr. 24/03611.
  • Verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.
  • Raadsman namens de verdachte: M.I. L'Ghdas, advocaat te Amsterdam.

Feiten en eerdere beslissingen

  • De politierechter in Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld wegens diefstal; het hof Amsterdam (parketnr. 23-003336-23) bevestigde bij arrest van 12 september 2024 die veroordeling en legde een gevangenisstraf van één week op, met aftrek van voorarrest.
  • Er bestond samenhang met andere zaken (24/03609 en 24/03610); in de proces-verbaal van de zitting in hoger beroep wordt tevens genoemd dat de verdachte op 26 augustus 2024 door de politierechter veroordeeld is voor een winkeldiefstal gepleegd op 9 januari 2024 (gevangenisstraf twee weken, hoger beroep bij gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden).

Ingediende klacht in cassatie

  • Het cassatiemiddel, voorgesteld door raadsman M.I. L'Ghdas, richt zich op schending van art. 359 lid 2, tweede volzin Sv. De klacht luidt dat het hof niet in het bijzonder heeft gemotiveerd waarom het afweek van een door de verdediging naar voren gebracht, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over strafoplegging (verzoek tot omzetting van gevangenisstraf in taakstraf).

Voordracht verdediging in hoger beroep (proces‑verbaal)

  • De raadsman verzocht mondeling om omzetting van gevangenisstraf in een taakstraf omdat de verdachte de straf feitelijk al zou hebben uitgezeten en het in zijn dossier beter zou staan.
  • Hij lichtte persoonlijke omstandigheden toe: relationele problemen, alcoholgebruik, verblijf op straat; voerde aan dat het om een gering bedrag en een gering feit ging en dat de verdachte sindsdien niet meer met justitie in aanraking was gekomen.

Juridische beoordeling en motivering door de procureur‑generaal

  • De PG leest het middel als een klacht over het niet reageren op een vermeend "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" inzake strafmodaliteit zoals bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin Sv.
  • De PG overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat hetgeen de raadsman naar voren bracht geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert. Argumentatie: de verdediging bracht geen ondubbelzinnige conclusie; er was geen duidelijk en concreet, afgebakend verzoek met onderbouwing, maar een opsomming van verzachtende omstandigheden en een niet-expliciet geformuleerd verzoek om omzetting.
  • Op grond van die lezing bestond geen verplichting voor het hof om in de bijzonderheden te antwoorden zoals art. 359 lid 2, tweede volzin Sv voorschrijft.
  • De PG verwijst naar relevante rechtspraak over de uitleg van het begrip "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" (onder meer HR 5 juli 2022 en literatuur).

Slotconclusie en gevolg

  • Het middel faalt; de PG concludeert tot afwijzing van het cassatieberoep, met gebruikmaking van de motivering ex art. 81 lid 1 RO.
  • De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:662
Strafrecht
28-06-2026 89% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, geeft conclusie in zaak nr. 24/03610 over het cassatieberoep van [verdachte] (geb. 1993). Feitelijk: het gerechtshof Amsterdam bevestigde bij arrest van 12 september...
ECLI:NL:PHR:2026:718
Strafrecht
07-07-2026 88% soortgelijk
Zaaknummer en partijen - Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad: B.F. Keulen (conclusie d.d. 12 mei 2026; zaaknr. 24/03675). - Verdachte: [verdachte], geboren 2002 in [geboorteplaats]; raadslieden: M. Kuipers, advocaat te Arnhem. -...
ECLI:NL:PHR:2025:975
Strafrecht
08-09-2025 87% soortgelijk
Zaak en procespartijen Procureur‑generaal bij de Hoge Raad (conclusie door D.J.M.W. Paridaens; zitting 23 sept. 2025; nr. 23/04235) behandelt het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1980 te [geboorteplaats]). In eerste aanleg trad mr....
ECLI:NL:PHR:2026:266
Strafrecht
16-03-2026 86% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad (P.H.P.H.M.C. van Kempen) geeft in zijn conclusie van 12 mei 2026 advies tot verwerping van het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1991). Kernpunten: Partijen en procesverloop -...
ECLI:NL:HR:2026:1406
Strafrecht
31-08-2026 86% soortgelijk
Hofgevolgde procedure en partijen De zaak betreft arrest nummer 24/02165 van de Hoge Raad der Nederlanden, Strafkamer, uitgesproken op 1 september 2026. In cassatie treedt op als appellant de verdachte [verdachte], geboren...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Diefstal (310 Sr). Falend middel over ontbreken motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de straf. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/03610.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03611

Zitting7 juli 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1 Het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003336-23) heeft bij arrest van 12 september 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd en de verdachte daarmee wegens "diefstal", veroordeeld tot een week gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/03609 en 24/03610. In de zaak 24/03610 zal ik vandaag ook concluderen.

1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1 Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.

2.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

“De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Daartoe voert hij het woord als volgt: Het hoger beroep ziet op de strafmodaliteit. Cliënt zou graag willen dat de gevangenisstraf wordt omgezet naar een taakstraf. Materieel verandert er niets want cliënt heeft de gevangenisstraf al uitgezeten, maar dan staat er ‘taakstraf’ in zijn documentatie in plaats van ‘gevangenisstraf’.

De advocaat-generaal deelt mede dat uit de justitiële documentatie van 28 augustus 2024 blijkt dat de verdachte op 26 augustus 2024 door de politierechter is veroordeeld voor een winkeldiefstal gepleegd op 9 januari 2024. De verdachte heeft een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van het voorarrest, opgelegd gekregen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld en de zaak loopt momenteel bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

(…)

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de persoonlijke omstandigheden van de verdachte toe te lichten en voert daarbij het woord als volgt: Het gaat niet goed met hem. Ik heb tegen hem gezegd dat hij geen diefstallen meer moet plegen. Hij zegt dat hij sinds dit jaar niet meer in aanraking met justitie is gekomen. Het klopt dat het nog wel één keer is gebeurd, maar als wij dat afzetten tegen vorige jaar dan is het een aanzienlijke vooruitgang in zijn leven.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt: Ik verzoek u rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij had relationele problemen waardoor hij aan de alcohol zat en op straat leefde. Het gaat om een gering bedrag en een gering feit. De verdachte is in hoger beroep gekomen uit vrees dat de veroordelingen zijn verblijfsaanvraag zouden kunnen dwarsbomen. Zijn situatie is veranderd. Hij is ondertussen niet meer met justitie in aanraking gekomen en dat is een omstandigheid die in aanmerking moet worden genomen.”

2.3 Om te beginnen merk ik op dat ik het middel niet anders kan lezen dan als een klacht over het niet responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafmodaliteit, als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Een klacht over het ontbreken van een strafmotivering als bedoeld in art. 359 lid 2, eerste volzin, lid 5 en lid 6 Sv mist, terwijl er geen reden is voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.

2.4 Het hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en dat een opsomming van factoren waarom in het onderhavige geval een taakstraf en geen gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv oplevert.

3 Afronding

3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De Hoge Raad heeft in deze zaak bij arrest van 9 december 2025 het ingestelde cassatieberoep op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 362 onder verwijzing naar HR 29 mei 2007, NJ 2008/395 ( ECLI:NL:HR:2007:BA1644 ). HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:75 , rov. 3.5.4.