Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:2026:662

ECLI:NL:PHR:2026:662 Parket bij de Hoge Raad , 07-07-2026 / 24/03610
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, geeft conclusie in zaak nr. 24/03610 over het cassatieberoep van [verdachte] (geb. 1993). Feitelijk: het gerechtshof Amsterdam bevestigde bij arrest van 12 september 2024 het vonnis van de politierechter en veroordeelde de verdachte voor diefstal tot zeven dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Er bestaat samenhang met zaken 24/03609 en 24/03611; in laatstgenoemde zaak werd ook vandaag geconcludeerd.

Het cassatiemiddel, voorgesteld door advocaat M.I. L'Ghdas uit Amsterdam, betrof één klacht: het hof zou in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin Sv niet in het bijzonder de redenen hebben gegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” omtrent de strafmodaliteit. De verdediging had in hoger beroep — volgens het proces‑verbaal van de zitting — verzocht om omzetting van de opgelegde gevangenisstraf in een taakstraf. De raadsman motiveerde dat materieel niets zou veranderen omdat de verdachte de straf al had uitgezeten, dat een geringe waarde en persoonlijke problemen (relationele problemen, alcoholgebruik, straatleven) meespelen, dat de verdachte verbetering heeft getoond en dat veroordelingen zijn verblijfsaanvraag kunnen schaden. Ook werd vermeld dat tegen een andere veroordeling (winkel­diefstal van 9 jan. 2024) hoger beroep loopt.

De Procureur‑Generaal kwalificeert het middel primair als een klacht over het niet beantwoorden van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin Sv. De conclusie van de PG is echter dat het hof het betoog terecht niet als zodanig heeft aangemerkt. De motivering daarvan is dat de door de raadsman aangedragen argumenten niet gepaard gingen met een ondubbelzinnige conclusie en dat een opsomming van verzachtende omstandigheden (persoonlijke omstandigheden, geringe omvang van het feit, verbetering) zonder heldere, concreet geformuleerde en onderbouwde vordering geen “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” oplevert waarvoor het hof bij afwijking in het bijzonder verklaring had moeten geven. De PG verwijst in dit verband naar relevante rechtspraak en literatuur en acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Uiteindelijk faalt het middel. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep; afdoening geschiedt met de motivering als bedoeld in art. 81 lid 1 RO.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:661
Strafrecht
28-06-2026 89% soortgelijk
Zaaknummer en procespartijen - Procureur-generaal M.E. van Wees bij de Hoge Raad der Nederlanden, conclusie d.d. 7 juli 2026, zaaknr. 24/03611. - Verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993. - Raadsman...
ECLI:NL:PHR:2025:1179
Strafrecht
31-10-2025 85% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad (conclusie T.N.B.M. Spronken) adviseert verwerping van het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1978). Feiten en procesverloop: de politierechter van de rechtbank Midden‑Nederland heeft de verdachte bij mondeling...
ECLI:NL:PHR:2026:717
Strafrecht
07-07-2026 84% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad (B.F. Keulen) geeft advies in het cassatieberoep van [verdachte] (geb. 1998) tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 30 september 2024 (parketnr. 21‑004669‑22). Het hof...
ECLI:NL:PHR:2025:1065
Strafrecht
02-10-2025 83% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad (P.H.P.H.M.C. van Kempen) geeft in nummer 23/02844 (zitting 4 nov. 2025) een conclusie in cassatie tegen het arrest van het hof Den Haag van 10 juli...
ECLI:NL:PHR:2025:794
Strafrecht
14-07-2025 83% soortgelijk
Procureur‑generaal V.M.A. Sinnige geeft in conclusie nr. 24/00205 een standpunt over het cassatieberoep van [verdachte] (geb. 1988). De zaak heeft betrekking op een uitspraak van de politierechter van 5 januari 2023 (parketnr....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Diefstal (310 Sr). Falend middel over ontbreken motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de straf. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/03611.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03610

Zitting7 juli 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1 Het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003249-23) heeft bij arrest van 12 september 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd en de verdachte daarmee wegens "diefstal" veroordeeld tot zeven dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/03609 en 24/03611. In de zaak 24/03611 zal ik vandaag ook concluderen.

1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1 Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.

2.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

“De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt na de voordracht van de advocaat- generaal in de gelegenheid gesteld |mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Daartoe voert hij het woord als volgt: Het hoger beroep ziet op de strafmodaliteit. Cliënt zou graag willen dat de gevangenisstraf wordt omgezet naar een taakstraf. Materieel verandert er niets want cliënt heeft de gevangenisstraf al uitgezeten, maar dan staat er ‘taakstraf’ in zijn documentatie in plaats van ‘gevangenisstraf’.

De advocaat-generaal deelt mede dat uit de justitiële documentatie van 28 augustus 2024 blijkt dat de verdachte op 26 augustus 2024 door de politierechter is veroordeeld voor een winkeldiefstal gepleegd op 9 januari 2024. De verdachte heeft een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van het voorarrest, opgelegd gekregen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld en de zaak loopt momenteel bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

(…)

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de persoonlijke omstandigheden van de verdachte toe te lichten en voert daarbij het woord als volgt: Het gaat niet goed met hem. Ik heb tegen hem gezegd dat hij geen diefstallen meer moet plegen. Hij zegt dat hij sinds dit jaar niet meer in aanraking met justitie is gekomen. Het klopt dat het nog wel één keer is gebeurd, maar als wij dat afzetten tegen vorige jaar dan is het een aanzienlijke vooruitgang in zijn leven.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt: Ik verzoek u rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij had relationele problemen waardoor hij aan de alcohol zat en op straat leefde. Het gaat om een gering bedrag en een gering feit. De verdachte is in hoger beroep gekomen uit vrees dat de veroordelingen zijn verblijfsaanvraag zouden kunnen dwarsbomen. Zijn situatie is veranderd. Hij is ondertussen niet meer met justitie in aanraking gekomen en dat is een omstandigheid die in aanmerking moet worden genomen”

2.3 Om te beginnen merk ik op dat ik het middel niets anders kan lezen dan als een klacht over het niet responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafmodaliteit, als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Een klacht over het ontbreken van een strafmotivering als bedoeld in art. 359 lid 2, eerste volzin, lid 5 en lid 6 Sv mist, terwijl er geen reden is voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.

2.4 Het hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en dat een opsomming van factoren waarom in het onderhavige geval een taakstraf en geen gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv oplevert.

3 Afronding

3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De Hoge Raad heeft in deze zaak bij arrest van 9 december 2025 het ingestelde cassatieberoep op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 362 onder verwijzing naar HR 29 mei 2007, NJ 2008/395 ( ECLI:NL:HR:2007:BA1644 ). HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975 , rov. 3.5.4.