ECLI:NL:HR:2026:1406 Hoge Raad , 01-09-2026 / 24/02165
Samenvatting
Hofgevolgde procedure en partijen De zaak betreft arrest nummer 24/02165 van de Hoge Raad der Nederlanden, Strafkamer, uitgesproken op 1 september 2026. In cassatie treedt op als appellant de verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993. Zijn raadsman in cassatie is advocaat M. Berndsen. De advocaat‑generaal is M.E. van Wees. Het beroep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2024 (nr. 23-001705-22).
Cassatieklachten en beoordeling Het cassatieberoep bevatte twee middelen.
Eerste middel — motivering bewezenverklaring Het eerste middel richtte zich tegen de bewezenverklaring en de motivering daarvan door het hof. De Hoge Raad verwijst naar de uitgebreide weergave van de bewezenverklaring en de door het hof gebruikte bewijsoverwegingen zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat‑generaal (onder 2.2 en 2.3) en de aanvullingen op het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie leidt; de concrete redenen voor die afwijzing zijn opgenomen in de conclusie van de advocaat‑generaal onder 2.4–2.6. Samengevat: de Hoge Raad acht de feitenvaststelling en de door het hof aangevoerde bewijsmiddelen toereikend gemotiveerd.
Tweede middel — overschrijding redelijke termijn (artikel 6 lid 1 EVRM) Het tweede middel klaagde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM was overschreden, doordat stukken te laat door het hof naar de cassatieprocedure zijn verzonden en omdat de Hoge Raad zelf meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. De Hoge Raad verklaart dit middel gegrond: zowel de late verzending van processtukken door het hof als het feit dat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van cassatie brengen mee dat de redelijke termijn is overschreden. Ten aanzien van de rechtsgevolgen merkt de Hoge Raad op dat, gegeven de opgelegde straf — twee maanden gevangenisstraf waarvan één maand voorwaardelijk — volstaat het te constateren dat de redelijke termijn is overschreden; de Hoge Raad ziet geen aanleiding om aan die constatering verdere rechtsgevolgen (zoals strafvermindering of andersoortige compensatie) te verbinden.
Beslissing en samenstelling De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door raadsheer C. Caminada (voorzitter) en raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in aanwezigheid van waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken op 1 september 2026. De advocaat‑generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Witwassen van geldbedrag (€ 12.950), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte over herkomst van geldbedrag op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs mede op zijn vaststellingen in nadere bewijsoverwegingen gebaseerde oordeel dat door verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring hoogst onwaarschijnlijk is, is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte deze verklaring net als in eerste aanleg heeft onderbouwd met schriftelijke en ondertekende verklaring van ander en dat hij zijn neef ttz. in h.b. als getuige heeft meegebracht, waar deze een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, maakt dat niet anders. Opvatting dat door HR aan verklaring van verdachte gestelde eisen als communicerende vaten fungeren (in die zin dat hoe concreter en verifieerbaarder die verklaring is, hoe minder snel deze als “op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” kan worden aangemerkt) vindt geen steun in recht. Bovendien heeft hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het geen geloof hecht aan verklaringen van ander en van neef van verdachte. Volgt verwerping.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **24/02165
Datum1 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2024, nummer 23-001705-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.
2.2 De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 en 2.3. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof.
2.3 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.6.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van