ECLI:NL:GHSHE:2026:2072 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 24/1031
Samenvatting
Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (Team belastingrecht, Enkelvoudige Belastingkamer), zaaknummer 24/1031. Appellant: [belanghebbende] (wonend in [woonplaats]), bijgestaan door [gemachtigde] (de gesteld gemachtigde). Verwerende partij: de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen‑Duiveland. Geschil betreft WOZ‑beschikking en aanslag OZB 2022 voor het pand [adres] in [woonplaats].
Loop van het geding: na bezwaar en uitspraak op bezwaar (bezwaar ongegrond) heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (zaak BRE 22/5281); de rechtbank verklaarde dat beroep ongegrond. Tegen die uitspraak stelde [gemachtigde] op 9 juli 2024 hoger beroep in bij het hof. Bijlagen bij het hoger beroep: volmacht van belanghebbende d.d. 8 maart 2022 aan [naam] van [kantoor] en een substitutiemachtiging d.d. 21 september 2022 waarin [naam] [gemachtigde] machtigt (onder meer) hoger beroepen in te dienen.
Beoordeling ontvankelijkheid: het hof vroeg op 3 juni 2026 een recente op naam gestelde schriftelijke machtiging ex art. 8:24 lid 2 Awb en stelde een uiterste datum (30 juni 2026), met waarschuwing dat bij niet‑overlegging niet‑ontvankelijkverklaring mogelijk was. Op 1 juli 2026 deelde het hof mee dat de zitting van 9 juli 2026 zich zou beperken tot ontvankelijkheid. Op 2 juli 2026 overgelegd: een substitutiemachtiging d.d. 13 januari 2025; de gevraagde recente op‑naam machtiging is echter niet ontvangen.
Juridische grondslag en motivering: het hof huldigt de uitleg van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:556, 17 april 2026) dat de bestuursrechter bevoegd is om een recente machtiging te verlangen en daartoe niet eerst aanwijzingen hoeft te hebben dat een eerdere volmacht door rechtsverhoudingen is geëindigd; de rechter hoeft ook niet te motiveren waarom hij om een recente machtiging vraagt. Verder volgt uit het arrest dat niet‑ontvankelijkverklaring kan volgen indien de gemachtigde de gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen en het verzuim niet verschoonbaar is.
De gesteld gemachtigde voerde als reden van het ontbreken van de recente machtiging dat het verzoek wegens drukte aan zijn aandacht was ontsnapt en dat belanghebbende vanwege familieomstandigheden niet bereikbaar was; hij voerde tevens inhoudelijke bezwaren aan (onder meer dat de rechtbank ten onrechte een te lage immateriële schadevergoeding (€50 per halfjaar) had aangenomen). Het hof achtte deze toelichting niet voldoende om het verzuim als verschoonbaar te kwalificeren.
Besluit: het hof verklaart het hoger beroep niet‑ontvankelijk. Geen vergoeding van griffierecht; geen veroordeling in proceskosten ex art. 8:75 Awb. Uitspraak vastgesteld op 29 juli 2026 door raadsheer C.W.M.M. Verkoijen en griffier S.M.R. Moberts. Mogelijkheid tot cassatie binnen zes weken bij de Hoge Raad is in de uitspraak vermeld.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging is niet binnen de gestelde termijn en ook nadien niet ontvangen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om het verzuim van het niet overleggen verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1031
Uitspraak op het door [gemachtigde] ingestelde hoger beroep in de zaak van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 juni 2024, nummer BRE 22/5281, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. [gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1141 en 24/1142.
1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
2.1. De gesteld gemachtigde heeft op 9 juli 2024 hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens overgelegd een door belanghebbende op 8 maart 2022 getekende volmacht verleend aan [naam] van [kantoor] Daarnaast is een op 21 september 2022 getekende machtiging van [naam] aan [gemachtigde] overlegd (hierna: de substitutiemachtiging) waarin laatstgenoemde onder meer gemachtigd wordt om namens [naam] (hoger) beroepen in te dienen.
2.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 3 juni 2026 verzocht om een recente op naam gestelde machtiging te overleggen. In dat bericht is een uiterste indieningsdatum genoemd van 30 juni 2026. Tevens is vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd.
2.3. Het hof heeft op 1 juli 2026 de gesteld gemachtigde bericht dat de behandeling van de zitting van 9 juli 2026 zich (in dit stadium) zal beperken tot de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is. De gevraagde recente machtiging was immers op 1 juli 2026 niet ontvangen.
2.4. De gesteld gemachtigde heeft op 2 juli 2026 een op 13 januari 2025 ondertekende substitutiemachtiging overgelegd. De gevraagde op naam gestelde recente machtiging is niet ontvangen.
3 Beoordeling
**Ten aanzien van de ontvankelijkheid **
3.1. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026
3.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde verzocht een recente machtiging te overleggen en hem gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring indien niet tijdig de gevraagde recente op naam gestelde machtiging zou worden overgelegd. De gevraagde recente machtiging is niet binnen de gestelde termijn en ook nadien niet ontvangen.
3.3. De gesteld gemachtigde heeft gesteld dat het verzoek van 3 juni 2026 tot overlegging van een recente machtiging wegens drukte aan zijn aandacht is ontsnapt. Naar aanleiding van het bericht van het hof van 1 juli 2026 heeft hij alsnog telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Belanghebbende was volgens de gesteld gemachtigde vanwege familie-omstandigheden op dat moment echter niet in de gelegenheid om de gesteld gemachtigde te woord te staan. Verder heeft de gesteld gemachtigde gesteld dat het hoger beroep, indien ontvankelijk, naar zijn mening gegrond moet worden verklaard, alleen al vanwege het feit dat de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding vanwege immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van een te lage vergoeding van € 50 per half jaar.
3.4. Het hof ziet in de door gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om het verzuim van het niet overleggen van de gevraagde recente machtiging verschoonbaar te achten.
3.5. Het hof zal gelet op het vorenstaande het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
3.6. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
3.7. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
3.8. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De raadsheer,
S.M.R. MobertsC.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.