ECLI:NL:GHSHE:2026:2074 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 24/1142
Samenvatting
GERECHTSHOF ’s‑Hertogenbosch, Team belastingrecht, zaaknr. 24/1142 — Samenvatting:
Partijen
- Belanghebbende: [belanghebbende], woonachtig in [woonplaats], bijgestaan door [gemachtigde] (gesteld gemachtigde).
- Verweerder: de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland.
Feiten en procesverloop
- De heffingsambtenaar stelde een WOZ‑beschikking vast voor het pand aan [adres] te [woonplaats] en maakte de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) 2022 bekend. Belanghebbende maakte bezwaar; dat bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. De rechtbank (ZE‑WB) verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond (uitspraak 24 juni 2024, nr. BRE 22/5344).
- Tegen die uitspraak stelde [gemachtigde] hoger beroep in bij het hof (7 augustus 2024). Bijlage bij het hoger beroep: een volmacht van 28 maart 2022 aan [naam] van [kantoor] en een substitutiemachtiging van 21 september 2022 waarbij [naam] machtigt om (hoger)beroepen in te dienen namens belanghebbende.
- Het hof verzocht de gesteld gemachtigde op 12 augustus 2024 om uiterlijk 9 september 2024 een recente op naam gestelde machtiging; die werd niet ontvangen. Op 3 juni 2026 volgde een nieuw verzoek met uiterste indieningsdatum 30 juni 2026. Op 1 juli 2026 kondigde het hof aan dat de zitting van 9 juli 2026 zich zou beperken tot de vraag naar ontvankelijkheid. Op 2 juli 2026 overlegde de gesteld gemachtigde alsnog een machtiging gedateerd diezelfde dag en een substitutiemachtiging van 13 januari 2025.
- De zitting vond plaats op 9 juli 2026; verschenen: [gemachtigde] en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar]. Het onderzoek werd aan het einde van de zitting gesloten. Uitspraak openbaar op 29 juli 2026.
Rechtsvragen en motivering
- Kernvraag: Is het hoger beroep ontvankelijk nu de machtiging door de gemachtigde pas na herhaalde verzoeken en na de gestelde termijnen is overgelegd?
- Het hof baseert zich op artikel 8:24 lid 2 Awb en het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556). Uit dat arrest volgt dat de bestuursrechter een recente machtiging mag verlangen, dat hij niet verplicht is te motiveren waarom hij daarom vraagt, en dat niet‑ontvankelijkverklaring kan volgen indien binnen een redelijke door de rechter gestelde termijn geen nieuwe machtiging wordt overgelegd, mits de indiener de gelegenheid had het verzuim te herstellen en er geen aanleiding is te veronderstellen dat het verzuim verschoonbaar is.
- Het hof stelt vast dat het verzoek om een recente machtiging tweemaal is gedaan en dat de gemachtigde telkens op tijd is gewezen op de consequentie van niet‑indiening. De uiteindelijke overlegging op 2 juli 2026 vond plaats buiten de gestelde termijnen. De door de gemachtigde aangevoerde uitleg (overzien/vergeten wegens drukte) acht het hof geen verschoonbare oorzaak.
Beslissing en nevenstellingen
- Het hof verklaart het hoger beroep niet‑ontvankelijk.
- Het hof wijst vergoeding van griffierecht af en legt geen proceskostenveroordeling op (geen toepassing van artikel 8:75 Awb).
- Mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak blijft open.
Conclusie Het hoger beroep van belanghebbende wordt niet‑ontvankelijk verklaard omdat de vertegenwoordiger niet binnen de door het hof gestelde redelijke termijnen een recente op naam gestelde machtiging heeft overgelegd; de hiervoor gegeven verklaringen zijn niet verschoonbaar. Er volgt geen vergoeding van griffierecht en geen proceskostenveroordeling.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging werd uiteindelijk overlegd, maar buiten de gestelde termijnen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1142
Uitspraak op het door [gemachtigde] ingestelde hoger beroep in de zaak van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 juni 2024, nummer BRE 22/5344, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. [gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1141 en 24/1031.
1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
2.1. De gesteld gemachtigde heeft op 7 augustus 2024 hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens overgelegd een door belanghebbende op 28 maart 2022 getekende volmacht verleend aan [naam] van [kantoor] Daarnaast is een op 21 september 2022 getekende machtiging van [naam] aan [gemachtigde] overlegd (hierna: de substitutiemachtiging) waarin laatstgenoemde onder meer gemachtigd wordt om namens [naam] (hoger) beroepen in te dienen.
2.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 12 augustus 2024 verzocht om uiterlijk 9 september 2024 een recente op naam gestelde machtiging in te dienen. In dat bericht is tevens vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd. De gevraagde machtiging is niet ontvangen.
2.3. Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 3 juni 2026 opnieuw verzocht om een recente op naam gestelde machtiging te overleggen. In dat bericht is een uiterste indieningsdatum genoemd van 30 juni 2026. Tevens is vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd.
2.4. Het hof heeft op 1 juli 2026 de gesteld gemachtigde bericht dat de behandeling van de zitting van 9 juli 2026 zich (in dit stadium) zal beperken tot de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is. De gevraagde recente machtiging was immers op 1 juli 2026 niet ontvangen.
2.5. De gesteld gemachtigde heeft op 2 juli 2026 een op diezelfde datum getekende machtiging van belanghebbende aan [naam] verleend machtiging overgelegd. Ook heeft hij een op 13 januari 2025 ondertekende substitutiemachtiging overgelegd.
3 Beoordeling
**Ten aanzien van de ontvankelijkheid **
3.1. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026
3.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde tweemaal verzocht een recente machtiging te overleggen en hem beide keren gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring indien niet tijdig de gevraagde recente op naam gestelde machtiging zou worden overgelegd. De gevraagde recente machtiging, die uiteindelijk op 2 juli 2026 is overlegd, is niet binnen de gestelde termijnen ontvangen.
3.3. De gesteld gemachtigde heeft gesteld dat hij het verzoek van 12 augustus 2024 om een recente machtiging te overleggen over het hoofd heeft gezien en dat het verzoek van 3 juni 2026 tot overlegging van een recente machtiging wegens drukte aan zijn aandacht is ontsnapt. Naar aanleiding van het bericht van het hof van 1 juli 2026 heeft hij alsnog contact opgenomen met belanghebbende, waarna hij op 2 juli 2026 de gevraagde recente machtiging heeft overlegd. Verder heeft de gesteld gemachtigde gesteld dat het hoger beroep, indien ontvankelijk, naar zijn mening gegrond moet worden verklaard, alleen al vanwege het feit dat de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding vanwege immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van een te lage vergoeding van € 50 per half jaar.
3.4. Het hof ziet in de door gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging van de recente machtiging verschoonbaar te achten.
3.5. Het hof zal gelet op het vorenstaande het hoger beroep niet ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
3.6. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
3.7. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
3.8. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De raadsheer,
S.M.R. MobertsC.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.