ECLI:NL:GHSHE:2026:2073 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 24/1141
Samenvatting
Zaaknummer en partijen Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Team Belastingrecht, enkelvoudige belastingkamer, nummer 24/1141. Appellant: [belanghebbende] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Tegenpartij: de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland (hierna: de heffingsambtenaar). Onderliggend besluit: WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting 2022; rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, zaaknummer BRE 22/5349, heeft het beroepschrift van belanghebbende eerder ongegrond verklaard.
Feiten en procesverloop
- Belanghebbende gaf volmacht aan [naam] van [kantoor] d.d. 4 april 2022; op 21 september 2022 is een substitutiemachtiging overgelegd waarbij [naam] [gemachtigde] machtigt om namens hem (hoger)beroepen in te stellen.
- [Gemachtigde] stelde op 7 augustus 2024 hoger beroep in bij het hof. Het hof verzocht op 12 augustus 2024 om uiterlijk 9 september 2024 een recente op naam gestelde machtiging; ontvangst werd niet bevestigd. Het hof verzocht opnieuw op 3 juni 2026 om binnen 30 juni 2026 een recente machtiging te overleggen, met de waarschuwing dat niet‑ontvankelijkverklaring mogelijk was.
- Op 1 juli 2026 informeerde het hof dat de zitting van 9 juli 2026 zich zou beperken tot ontvankelijkheid. [Gemachtigde] zond op 2 juli 2026 een substitutiemachtiging d.d. 13 januari 2025 en op 8 juli 2026 een door belanghebbende op 7 juli 2026 getekende machtiging. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juli 2026; het hof sloot het onderzoek aan het einde van die zitting. Gelijktijdig werden zaken 24/1142 en 24/1031 behandeld. Uitspraak openbaar op 29 juli 2026.
Juridische beoordeling en motivering
- Het hof baseert zich op artikel 8:24 lid 2 Awb: de bestuursrechter kan van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556) en volgt daaruit dat het hof bevoegd is om een recente machtiging te vragen. De rechter hoeft niet aan te geven waarom hij om een nieuwe machtiging vraagt en hoeft niet vooraf aanwijzingen te hebben dat een eerdere volmacht rechtsgevolgen heeft verloren. Daarnaast mag de rechter het hoger beroep niet‑ontvankelijk verklaren indien binnen de door hem gestelde redelijke termijn geen (nieuwe) machtiging is overgelegd, mits de indiener gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen en er geen aanwijzingen zijn dat het verzuim verschoonbaar is.
- Het hof constateert dat het verzoek tot overlegging van een recente machtiging tweemaal is gedaan, telkens met expliciete waarschuwing voor niet‑ontvankelijkverklaring. De uiteindelijk overgelegde machtigingen (substitutiemachtiging d.d. 13‑01‑2025 ingediend op 2‑7‑2026 en machtiging d.d. 7‑7‑2026 ingediend op 8‑7‑2026) kwamen niet binnen de door het hof gestelde termijnen.
- De gesteld gemachtigde voerde dat hij eerdere verzoeken over het hoofd had gezien of door drukte niet tijdig had gereageerd en voerde tevens inhoudelijke gronden aan (betwisting van de door de rechtbank toegepaste vergoeding voor immateriële schade, €50 per halfjaar). Het hof acht deze toelichting onvoldoende om de te late overlegging als verschoonbaar te kwalificeren. Omdat de gemachtigde meerdere kansen had en uitdrukkelijk was gewaarschuwd, ziet het hof geen grond om van niet‑ontvankelijkverklaring af te zien.
Beslissing en nevenaspecten
- Het hof verklaart het hoger beroep niet‑ontvankelijk. Het doet daarmee geen uitspraak over de inhoudelijke gronden van het geschil.
- Het hof wijst teruggaaf van griffierecht af en veroordelt de heffingsambtenaar niet in proceskosten (geen veroordeling ex artikel 8:75 Awb).
- Uitspraak door raadsheer C.W.M.M. Verkoijen, griffier S.M.R. Moberts. Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Kern: het hoger beroep is ongegrond verklaard inzake ontvankelijkheid omdat een recente, op naam gestelde schriftelijke machtiging van de niet‑beroepsmatige gemachtigde niet binnen de door het hof gestelde redelijke termijnen is overgelegd, waarbij het hof zich baseert op artikel 8:24 Awb en het arrest HR 17 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:556).
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging werd uiteindelijk overlegd, maar buiten de gestelde termijnen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1141
Uitspraak op het door [gemachtigde] ingestelde hoger beroep in de zaak van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 juni 2024, nummer BRE 22/5349, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. [gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1142 en 24/1031.
1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
2.1. De gesteld gemachtigde heeft op 7 augustus 2024 hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens overgelegd een door belanghebbende op 4 april 2022 getekende volmacht verleend aan [naam] van [kantoor] Daarnaast is een op 21 september 2022 getekende machtiging van [naam] aan [gemachtigde] overlegd (hierna: de substitutiemachtiging) waarin laatstgenoemde onder meer gemachtigd wordt om namens [naam] (hoger) beroepen in te dienen.
2.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 12 augustus 2024 verzocht om uiterlijk 9 september 2024 een recente op naam gestelde machtiging in te dienen. In dat bericht is tevens vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd. De gevraagde machtiging is niet ontvangen.
2.3. Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 3 juni 2026 opnieuw verzocht om een recente op naam gestelde machtiging te overleggen. In dat bericht is een uiterste indieningsdatum genoemd van 30 juni 2026. Tevens is vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd.
2.4. Het hof heeft op 1 juli 2026 de gesteld gemachtigde bericht dat de behandeling van de zitting van 9 juli 2026 zich (in dit stadium) zal beperken tot de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is. De gevraagde recente machtiging was immers op 1 juli 2026 niet ontvangen.
2.5. De gesteld gemachtigde heeft op 2 juli 2026 een op 13 januari 2025 ondertekende substitutiemachtiging overgelegd.
2.6. De gesteld gemachtigde heeft op 8 juli 2026 een op 7 juli 2026 getekende machtiging van belanghebbende aan [naam] overgelegd.
3 Beoordeling
**Ten aanzien van de ontvankelijkheid **
3.1. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026
3.2. Het hof heeft de gesteld gemachtigde tweemaal verzocht een recente machtiging te overleggen en hem beide keren gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring indien niet tijdig de gevraagde recente op naam gestelde machtiging zou worden overgelegd. De gevraagde recente machtiging, die uiteindelijk op 8 juli 2026 is overlegd, is niet binnen de gestelde termijnen ontvangen.
3.3. De gesteld gemachtigde heeft gesteld dat hij het verzoek van 12 augustus 2024 om een recente machtiging te overleggen over het hoofd heeft gezien en dat het verzoek van 3 juni 2026 tot overlegging van een recente machtiging wegens drukte aan zijn aandacht is ontsnapt. Naar aanleiding van het bericht van het hof van 1 juli 2026 heeft hij alsnog contact opgenomen met belanghebbende, waarna hij op 8 juli 2026 de gevraagde recente machtiging heeft overlegd. Verder heeft de gesteld gemachtigde gesteld dat het hoger beroep, indien ontvankelijk, naar zijn mening gegrond moet worden verklaard, alleen al vanwege het feit dat de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding vanwege immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van een te lage vergoeding van € 50 per half jaar.
3.4. Het hof ziet in de door gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging van de recente machtiging verschoonbaar te achten.
3.5. Het hof zal gelet op het vorenstaande het hoger beroep niet ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
3.6. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
3.7. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
3.8. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De raadsheer,
S.M.R. MobertsC.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.