ECLI:NL:GHSHE:2026:1933 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-07-2026 / 23/1847
Samenvatting
Belanghebbende ([belanghebbende], wonend in [woonplaats]) was eigenaar/gebruiker van een woning aan [adres] in [woonplaats]. De heffingsambtenaar van de gemeente Hilvarenbeek stelde de WOZ‑waarde per peildatum 1 januari 2020 vast op €699.000 en gaf tevens aanslagen OZB en watersysteemheffing voor 2022 bekend. Belanghebbende maakte bezwaar; dat bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en het daarop ingestelde beroep bij de rechtbank werd door de rechtbank (uitspraak 27 oktober 2023, BRE 21/5416) eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor berechting in bezwaar en beroep met circa zes maanden was overschreden en kende daarom €50 immateriële schadevergoeding toe; proceskosten werden door de rechtbank aan belanghebbende toegekend à in totaal €209,25 (heffingsambtenaar en de minister ieder veroordeeld tot betaling).
Tegen die uitspraak stelde [gemachtigde] (medewerker verbonden aan [bedrijf]) namens belanghebbende hoger beroep in. In het hoger beroep heeft [gemachtigde] de beroepsgrond over de WOZ‑waarde ingetrokken; de resterende geschilpunten betroffen (i) of de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ heeft geschonden, (ii) of de toegewezen immateriële schadevergoeding te laag is en (iii) of de proceskostenvergoeding in eerste aanleg te laag is. [Gemachtigde] vorderde daarnaast vergoeding van zijn proceskosten in beroep en hoger beroep en een immateriële schadevergoeding van €500.
Het hof heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordeeld. Juridisch kader: op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb mag de bestuursrechter van een niet‑advocaat‑gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen; de rechter mag daarbij in redelijkheid eisen stellen, waaronder een recente (op naam gestelde) machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging is niet vereist dat er concrete aanwijzingen bestaan dat een eerdere volmacht is vervallen en de rechter hoeft niet te motiveren waarom hij een recente machtiging vraagt. Indien de gevraagde machtiging niet binnen een redelijke hersteltermijn wordt overgelegd, is sprake van verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb, en kan het rechtsmiddel niet‑ontvankelijk worden verklaard, mits de gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gekregen het verzuim te herstellen en er geen aanwijzingen zijn voor verschoonbaarheid. Deze uitleg is verbonden aan de schakelbepalingen voor hoger beroep (artikelen 6:24 en 8:108 Awb) en ondersteund door jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2026:556).
Toepassing op de zaak: het hof constateerde dat [gemachtigde] geen advocaat is. Het had [gemachtigde] driemaal (termijnen tot respectievelijk 12 september 2025, 15 oktober 2025 en 3 november 2025) verzocht een recente, op zijn naam gestelde schriftelijke machtiging te overleggen en uitdrukkelijk gewezen op de niet‑ontvankelijkheidsgevolgen bij uitblijven daarvan. [Gemachtigde] overlegde geen op naam gestelde, door belanghebbende ondertekende schriftelijke volmacht; de overgelegde kopieën van e‑mailcorrespondentie tussen [bedrijf] en (mevrouw) [naam] van 8 en 16 september 2025 volstonden niet omdat de handtekening van belanghebbende ontbrak en het geen op zijn naam gestelde schriftelijke machtiging betrof. Het hof oordeelde dat [gemachtigde] ruim twee maanden gelegenheid had gehad om het verzuim te herstellen maar dit niet deed en dat er geen feiten zijn die het verzuim verschoonbaar maken.
Slotoplegging: het hof verklaarde het hoger beroep niet‑ontvankelijk wegens verzuim (artikel 6:6 Awb/gerelateerde bepalingen) en kwam daarom niet toe aan behandeling van de inhoudelijke geschilpunten. Het hof zag geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht en wees een veroordeling in proceskosten (artikel 8:75 Awb) af. De uitspraak is gedaan op 22 juli 2026; raadsheer B.J. Rubbens en griffier B.B. Gedik tekenden de beslissing. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken beroep in cassatie bij de Hoge Raad open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet overleggen van een recente machtiging; e-mail correspondentie kwalificeert niet als machtiging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 23/1847
Uitspraak op het hoger beroep van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2023, nummer BRE 21/5416, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilvarenbeek,
hierna: de heffingsambtenaar.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar en de aanslag watersysteemheffing eigenaar voor het jaar 2022 bekendgemaakt (hierna: de aanslagen).
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. [gemachtigde] (verbonden aan [bedrijf] ; hierna: [gemachtigde] ) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. [gemachtigde] heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning.
2.2. De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 bij WOZ-beschikking vastgesteld op € 699.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
2.3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met afgerond zes maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 50. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de minister ieder veroordeeld tot betaling van € 209,25 aan proceskosten aan belanghebbende. Bij de berekening van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van een lichte zaak met wegingsfactor 0,5.
2.4. [gemachtigde] heeft op 19 december 2023 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Bij het hogerberoepschrift heeft [gemachtigde] een als volmacht aangeduid stuk van 26 april 2021 overgelegd. In dat stuk is vermeld dat belanghebbende aan medewerkers van [bedrijf] volmacht verleent om hem “te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”, waaronder het “indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger)beroep of cassatie”.
2.5. Het hof heeft [gemachtigde] bij bericht van 28 augustus 2025 verzocht om uiterlijk 12 september 2025 een volmacht te overleggen die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep (hierna: een recente machtiging). Het bericht geeft aan dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd.
2.6. Op 17 september 2025 heeft het hof [gemachtigde] nogmaals in de gelegenheid gesteld een recente (op zijn naam gestelde) machtiging in te dienen en hem daartoe tot uiterlijk 15 oktober 2025 de tijd gegeven. Ook daarbij is [gemachtigde] erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd.
2.7. Bij bericht van 20 oktober 2025 heeft het hof [gemachtigde] andermaal gevraagd om een recente machtiging en hem tot uiterlijk 3 november 2025 de tijd gegeven om deze te overleggen en hem ook daarbij gewezen op het feit dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij niet tijdig een recente machtiging overlegd..
2.8. Bij brief van 20 oktober 2025 heeft [gemachtigde] kopie van e-mail correspondentie tussen [bedrijf] en (mevrouw) [naam] van 8 en 16 september 2025 overgelegd, waarin volgens [gemachtigde] “wordt bevestigd dat wij namens belanghebbende de procedure mogen voortzetten.”
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. [gemachtigde] heeft de (hoger)beroepsgrond over de WOZ-waarde ingetrokken. In hoger beroep is nog uitsluitend in geschil:
Heeft de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ geschonden? Is de immateriëleschadevergoeding te laag vastgesteld? Is de vergoeding voor de proceskosten in eerste aanleg te laag vastgesteld?
3.2. [gemachtigde] concludeert tot vergoeding van zijn proceskosten in beroep en hoger beroep en vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.1. Het hof zal allereerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.
4.2. Bij deze beoordeling gaat het hof uit van het volgende rechtskader. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Zo mag de bestuursrechter vragen om een recente machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging van de volmachtgever vraagt. Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt wat hiervoor is overwogen ook in hoger beroep.
4.3. Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde] driemaal om een recente machtiging gevraagd en erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn wordt aangeleverd. [gemachtigde] heeft geen op naam gestelde schriftelijke machtiging overgelegd. De op 20 oktober 2025 door [gemachtigde] overgelegde e-mail correspondentie met (mevrouw) [naam] is geen op naam gestelde machtiging alleen al omdat op deze correspondentie de handtekening van belanghebbende [belanghebbende] ontbreekt. Het hof constateert dat [gemachtigde] vanaf de eerste keer dat het hof op het geconstateerde verzuim heeft gewezen (op 28 augustus 2025; zie 2.5) ruim twee maanden (tot en met 3 november 2025; zie 2.7) de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen. [gemachtigde] heeft het verzuim desondanks niet hersteld. Er is geen reden voor het hof om aan te nemen dat er omstandigheden zijn die dit verschoonbaar maken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Daarom komt het hof niet toe aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.
Tussenconclusie
4.4. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De raadsheer,
B.B. GedikB.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.