Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:8920

ECLI:NL:RBZWB:2026:8920 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-09-2026 / 02-153070-26
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (zittingsplaats Breda), parketnummer 02‑153070‑26, deed op 15 september 2026 vonnis in de zaak tegen [verdachte], geboren [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in PI [locatie]. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 1 september 2026; verdachte was in verstek (hij verscheen niet en gaf als reden “ben onschuldig, stomme poppenkast”). De officier van justitie mr. A. Verhoeven voerde het requisitoir.

Tenlastelegging (kort): feit 1 — heling of diefstal met braak; feit 2 — bezit van verdovende middelen (amfetamine, GHB). De gedetailleerde tenlastelegging staat als bijlage I in het vonnis; subsidiair werd een braak/diefstal in Tilburg voor een periode in 2024–2025 genoemd.

Vooronderzoek en formele vragen: dagvaarding geldig, rechtbank bevoegd, officier ontvankelijk, geen schorsingsgrond.

Bewijs en bewezenverklaring: de officier achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen; de rechtbank bevestigde dit. Concreet verklaarde de rechtbank bewezen dat verdachte op 28 mei 2026 te [plaats] een scooter en kentekenplaat ([kenteken]) voorhanden had terwijl hij wist (of redelijkerwijs moest vermoeden) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof (feit 1: opzetheling). Voorts had verdachte op of omstreeks 28 mei 2026 te [plaats] opzettelijk ongeveer 1,18 gram amfetaminebevattend materiaal en ongeveer 50 ml GHB bij zich (feit 2: handelen in strijd met artikel 2 onder C en art. 10 lid 3 Opiumwet). Taal- of schrijffouten in de tenlastelegging werden waar nodig verbeterd zonder nadeel voor verdachte. Alles wat meer of anders was ten laste gelegd werd niet bewezen verklaard en leidt tot vrijspraak voor die onderdelen. Bewijsmiddelen zijn in bijlage II opgenomen.

Strafbaarheid: geen omstandigheden bleken die strafuitsluitend werken; verdachte is strafbaar.

Maatregeloplegging en motivering: de officier vorderde een onvoorwaardelijke ISD‑maatregel (inrichting voor stelselmatige daders) van twee jaar. De rechtbank legde op dezelfde termijn de ISD‑maatregel op. Motivering: de feiten (opzetheling en bezit harddrugs) zijn ernstige vermogens‑ en drugsdelicten. De rechtbank nam zwaar mee het strafblad van verdachte per 16 juli 2026 (23 pagina’s) met herhaalde veroordelingen, onder meer vrijheidsbenemende straffen die geen gedragsverandering teweegbrachten. Het reclasseringsadvies van 14 augustus 2026 rapporteerde langdurige en ernstige psychiatrische en verslavingsproblematiek (amfetamine, alcohol, GHB), aanwijzingen voor psychotische persoonlijkheidsontwikkeling, gebrek aan ziekte‑ of probleembesef, instabiliteit op alle leefgebieden, geen stabiele huisvesting of dagbesteding, vermoedelijk hoge schuldenlast en een pro‑criminele houding. Verdachte weigert hulp en samenwerking; er is een zorgmachtiging, maar uitvoering is problematisch. Reclassering schat recidiverisico hoog en adviseert ISD; dit advies is tijdens de zitting bevestigd door de reclasseringswerker. De wettelijke voorwaarden voor ISD waren aanwezig: misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en in de vijf jaren voorafgaand ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld met gepleegde feiten na die tenuitvoerlegging; daarnaast ernstiger risico voor veiligheid en geringe kans op gedragsverandering binnen ambulant/voorwaardelijk kader. Gelet hierop is onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar noodzakelijk en wenselijk bevonden.

Beslag en onttrekking: inbeslaggenomen 35 ml GHB (goednr. 3001143) wordt onttrokken aan het verkeer.

Toegepaste wetsartikelen: onder meer art. 36b, 36c, 38m, 38n, 57 en 416 Strafrecht en art. 2 en 10 Opiumwet (zoals van kracht ten tijde van het bewezenverklaarde).

Uitspraak: bewezenverklaring van de twee bedoelde feiten (feit 1: opzetheling; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet), vrijspraak voor meer of anders ten laste gelegd, oplegging ISD‑plaatsing voor twee jaar, en onttrekking van 35 ml GHB. Vonnis gewezen door mr. D.H. Hamburger (voorz.), mr. D. van Kralingen en mr. J.P.E. Mullers; griffier mr. H.J.E.M. Hoezen.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:23159
Strafrecht
18-08-2026 88% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (meer­vuldige kamer) heeft op 17 augustus 2026 vonnis gewezen in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1992, BRP‑adres: [adres], thans gedetineerd in PI [plaats], locatie [locatie]). De inhoudelijke terechtzitting...
ECLI:NL:RBZWB:2025:7589
Strafrecht
06-11-2025 88% soortgelijk
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, zittingsplaats Breda (meervoudige kamer) heeft bij vonnis van 5 november 2025 verdachte [verdachte] (geboren 1965 te [geboorteplaats], gedetineerd in P.I. [locatie], bijgestaan door mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam) veroordeeld...
ECLI:NL:RBZWB:2026:280
Strafrecht
22-01-2026 88% soortgelijk
Verdachte, geboren 1986, thans gedetineerd en bijgestaan door mr. M.R.J. Schönfeld (advocaat Breda), is door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zitting Breda; ovj. mr. A. Verhoeven) op 23 januari 2026...
ECLI:NL:RBDHA:2026:18510
Strafrecht
06-07-2026 88% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (meervoudige kamer; voorzitter mr. G.H.M. Smelt, rechters mr. S. Pereth en mr. J. Barensen; griffier mr. J.E. Stevers) deed op 3 juli 2026 vonnis in de zaak tegen...
ECLI:NL:RBOBR:2026:6403
Strafrecht
04-09-2026 88% soortgelijk
De Rechtbank Oost‑Brabant, meervoudige kamer te ’s‑Hertogenbosch (parketnr. 01.148911.26), heeft op 7 september 2026 vonnis gewezen in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1988, ingeschreven te [adres 1], thans gedetineerd te [verblijf plaats])....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling en aan het aanwezig hebben van harddrugs (artikelen 416 Sr en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet). De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar (de ISD-maatregel).

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-153070-26

**Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2026 **

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [locatie] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 september 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. A. Verhoeven heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan

feit 1: heling of diefstal met braak;

feit 2: bezit van verdovende middelen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van het dossier beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het oordeel van de rechtbank

4.2.1. **De bewijsmiddelen **

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 28 mei 2026 te [plaats] , een scooter en kentekenplaat ( [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 2

op of 28 mei 2026 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,18 gram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 50 milliliter van een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en GHB telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling en aan het aanwezig hebben van harddrugs (amfetamine en GHB). Vermogensdelicten zoals heling zijn ergerlijke feiten die schade en overlast veroorzaken voor anderen. Hetzelfde geldt voor het bezit van harddrugs. Drugsverslaafden plegen vaak vermogensdelicten om in hun verslavingsbehoefte te kunnen voorzien, zo ook verdachte.

De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met het strafblad van verdachte van 16 juli 2026 dat 23 pagina’s beslaat. Verdachte is veelvuldig met politie en justitie in aanraking gekomen voor het plegen van delicten van diverse aard, waaronder vermogensdelicten en drugsgerelateerde delicten. Verdachte heeft meerdere keren (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen opgelegd gekregen, maar deze straffen hebben niet geleid tot gedragsverandering gezien de thans bewezenverklaarde feiten.

Verder slaat de rechtbank acht op het reclasseringsadvies van 14 augustus 2026. Hierin wordt vermeld dat bij verdachte sprake is van langdurige en forse psychiatrische- en verslavingsproblematiek (amfetamine, alcohol en GHB). Er zijn aanwijzingen voor een psychotische persoonlijkheidsontwikkeling en verdachte heeft geen ziekte-inzicht op probleembesef. Daarnaast is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte heeft al meerdere jaren geen stabiele huisvesting of dagbesteding. Hij ontvangt een WIA-uitkering en vermoedelijk is sprake van een hoge schuldenlast. De reclassering heeft geen zicht op het sociale netwerk van verdachte en meent dat hij een pro-criminele houding heeft, waarbij niet duidelijk is in welke mate sprake is van onmacht als gevolg van zijn psychotische problematiek. Verdachte weigert alle vormen van hulpverlening, wil niet samenwerken met de reclassering en is niet bereikbaar, terwijl zijn psychotische klachten steeds meer op de voorgrond komen te staan. Ten behoeve van verdachte is een zorgmachtiging afgegeven die is gericht op het gebruik van medicatie en ambulante behandeling, maar ook hieraan kan geen uitvoering worden gegeven omdat verdachte zich onvoldoende conformeert aan afspraken. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en adviseert oplegging van de ISD-maatregel. Zij ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering of risicobeperking binnen een ambulant of voorwaardelijk kader.

Tijdens het onderzoek ter zitting op 1 september 2026 heeft de reclasseringswerker het reclasseringsadvies onderschreven en bevestigd. Verdachte is niet verschenen ter zitting met als reden van weigering “ben onschuldig, stomme poppenkast”. De rechtbank heeft dus niet met verdachte een gesprek kunnen voeren over de verweten feiten en zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank is op grond van de dossiergegevens van oordeel dat oplegging van de ISD-maatregel in onvoorwaardelijke vorm wenselijk en noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl hij in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De bewezenverklaarde feiten zijn ook begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en de rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar.

7 Het beslag

7.1. De onttrekking aan het verkeer

Onder verdachte is in beslag genomen 35 milliliter GHB (goednummer 3001143). Dit zal worden onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en feit 2 is met betrekking tot dit voorwerp begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 38m, 38n, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
  • spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzetheling;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  • verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

  • gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Beslag

  • verklaart aan het verkeer onttrokken 35 milliliter GHB (goednummer 3001143).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. J.P.E. Mullers, in tegenwoordigheid van mr. H.J.E.M. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 september 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1 hij op of omstreeks 28 mei 2026 te [plaats] , een scooter en/of een kentkenplaat ( [kenteken] ), althans een/meer goed(eren) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; ( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 september 2024 tot en met 21 april 2025 te Tilburg een scooter en/of een kentekenplaat ( [kenteken] ), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander/anderen toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen scooter en/of kentekenplaat onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; ( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

2 hij op of omstreeks 28 mei 2026 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 50 mililiter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet ( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )