Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:23159

ECLI:NL:RBDHA:2026:23159 Rechtbank Den Haag , 17-08-2026 / 09-121280-26 en 09-001198-25 (tul)
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De rechtbank Den Haag (meer­vuldige kamer) heeft op 17 augustus 2026 vonnis gewezen in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1992, BRP‑adres: [adres], thans gedetineerd in PI [plaats], locatie [locatie]). De inhoudelijke terechtzitting vond plaats op 3 augustus 2026. De officier van justitie was mr. R. Hoogstraaten; de raadsvrouw van de verdachte was mr. M.S.M. Nolte.

Ten laste lag: (1) het op of omstreeks 22 april 2026 te Leiden verwerven/voorhanden hebben/overdragen van een bromfiets en/of kentekenplaat terwijl verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof (schuldheling); en (2) op die datum besturen van een bromfiets onder invloed van cocaïne en alcohol, met gemeten waardes van 99 microgram cocaine per liter bloed en 0,26 milligram ethanol per milliliter bloed (boven de wettelijke grenswaarden), als bedoeld in artikel 8 WvW 1994.

Bewijs en feiten

  • Op 22 april 2026 hield de politie de verdachte op een bromfiets in Leiden aan; een bekende zat achterop. De verdachte gaf wisselende verklaringen over de herkomst: eerst dat de bromfiets van [naam 1] was, later dat hij dacht dat de achteropzittende eigenaar was, en bij de RC zei hij te weten dat die persoon de bromfiets in Merenwijk (Leiden) had gestolen. Uit politieonderzoek bleek dat de bromfiets die dag daadwerkelijk in Leiden was gestolen; van diefstal van de kentekenplaat was eveneens aangifte gedaan.
  • Technische constateringen: de bromfietsmotor liep zonder sleutel omdat het contactslot volledig was verwijderd; de motor was kennelijk gestart zonder sleutel. De verdachte schakelde de motor uit tijdens de controle door bij het achterwiel een filter los te halen, waaruit de rechtbank concludeert dat hij wist dat er geen sleutel aanwezig was.
  • Voor het onder feit 2 gebruikte de rechtbank: de bekennende verklaring van de verdachte op zitting, proces‑verbaal van bevindingen (PL1500‑2026141191‑3), uitslag bloedonderzoek Eurofins Forensics d.d. 22 mei 2026 en het proces‑verbaal rijden onder invloed (PL1500‑2026141157‑1).

Juridische beoordeling

  • Ten aanzien van feit 1 oordeelt de rechtbank dat, gelet op de omstandigheden (gestolen bromfiets/kentekenplaat, discrepantie in eigenaar, motor gestart zonder sleutel, wisselende verklaringen) de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door een misdrijf was verkregen. Schuldheling is wettig en overtuigend bewezen verklaard.
  • Ten aanzien van feit 2 is de overtreding van artikel 8, vijfde lid, WvW 1994 bewezen verklaard: de verdachte heeft het feit bekend en de objectieve bloedwaarde‑bewijzen ondersteunen dat.
  • Kleine type‑/taalfouten in de tenlastelegging zijn bij de bewezenverklaring gecorrigeerd zonder benadeling van de verdediging.

Straffen en maatregelen

  • De officier van justitie vorderde een onvoorwaardelijke ISD‑maatregel van twee jaar; de verdediging pleitte tegen een onvoorwaardelijke ISD omdat verdachte niet open zou staan voor behandeling en alternatieven gewenst achtte.
  • De rechtbank legt een onvoorwaardelijke ISD‑maatregel (plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders) op voor de maximale duur van twee jaar en bepaalt dat voorarrest/verzekering voorafgaand aan tenuitvoerlegging niet in mindering wordt gebracht.
  • Motivering: de rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan de ‘harde’ ISD‑criteria (artikel 38m Sr): het bewezen feit kwalificeert als schuldheling, en uit het strafblad van 29 juni 2026 blijkt dat verdachte in de voorafgaande vijf jaar ten minste drie keer onherroepelijk tot vrijheidsbeneming is veroordeeld; er zijn meer dan tien processen‑verbaal in die periode, en de reclassering kwalificeert hem als ‘zeer actieve veelpleger’. De kans op recidive wordt door reclassering (adviezen d.d. 30 april 2026 en 3 juli 2026) en de rechtbank als hoog ingeschat.
  • Ook de ‘zachte’ ISD‑criteria zijn volgens de rechtbank vervuld: alle reële, minder ingrijpende alternatieven zijn uitgeput of niet uitvoerbaar wegens de structureel niet‑meewerkende, ambivalente houding van verdachte, mislukte ambulante trajecten, eerdere terugmeldingen door reclassering (schorsingstoezicht juni 2025, voorwaardelijke veroordeling november 2025) en het bestaan van meerdere risicofactoren (middelengebruik, persoonlijkheidsstoornis, schulden, negatief netwerk, gebrek aan dagbesteding en stabiele huisvesting). De rechtbank beschouwt de onvoorwaardelijke ISD als ultimum remedium en noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij.
  • De officier had daarnaast gevorderd tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 44 dagen (vonnis 28 juli 2025, parketnr. 09‑001198‑25 e.a.); de verdediging verzocht afwijzing omdat tenuitvoerlegging volgens haar al was bevolen door de politierechter (25 juni 2026). De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af omdat toewijzing op dit moment niet opportuun is gezien de op te leggen ISD‑maatregel.

Toepasselijke wetsartikelen

  • Art. 38m, 38n, 57 en 417bis Sr; art. 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 (zoals van toepassing ten tijde van het bewezenverklaarde en de uitspraak).

Beslissing in kort

  • Schuldheling (feit 1) en overtreding artikel 8, vijfde lid, WvW 1994 (feit 2) wettig en overtuigend bewezen.
  • Verdachte strafbaar verklaard.
  • Opgelegde maatregel: onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor 2 jaar; voorafgaande inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis worden niet in mindering gebracht.
  • Vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf wordt afgewezen.

Het vonnis is gewezen door mr. J.Y. van Gameren (voorzitter), mr. M. Rootring en mr. G. Kuijper; griffiers waren mr. I. Verhagen en mr. E. Six.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:6421
Strafrecht
24-03-2026 90% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (meervoudige kamer) heeft op 13 februari 2026 [verdachte], geboren 1978 en thans gedetineerd in PI [plaats], schuldig bevonden aan twee diefstallen. Dagvaarding I (09/282828-25): op 20 september 2025...
ECLI:NL:RBDHA:2025:22375
Strafrecht > Materieel strafrecht
27-11-2025 89% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (meervoudige kamer), uitspraak 27 november 2025. Eiser: officier van justitie mr. N. Snoep. Verdachte: [verdachte] (geb. 1985), bijgestaan door mr. L.E. Buiting. Zitting gehouden 13 november 2025. Tenlasteleggingen -...
ECLI:NL:RBAMS:2026:6245
Strafrecht > Materieel strafrecht
19-06-2026 89% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (Afdeling Publiekrecht, Teams Strafrecht), parketnummers 13/031816-26 en 13/159871-25, vonnis van 15 mei 2026 naar aanleiding van zitting van 1 mei 2026. OvJ mr. M.S. Gerritsen vorderde en verdediging werd gevoerd...
ECLI:NL:RBDHA:2025:23360
Strafrecht
09-12-2025 89% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (meervoudige kamer) heeft op 8 december 2025 in zaak parketnummer 09/219892-25 het volgende vonnis gewezen tegen [de verdachte] (geb. 1974), bijgestaan door raadsman mr. J. Looman; de officier...
ECLI:NL:RBDHA:2026:18510
Strafrecht
06-07-2026 89% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (meervoudige kamer; voorzitter mr. G.H.M. Smelt, rechters mr. S. Pereth en mr. J. Barensen; griffier mr. J.E. Stevers) deed op 3 juli 2026 vonnis in de zaak tegen...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens schuldheling en rijden onder invloed. De rechtbank legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09-121280-26 en 09-001198-25 (tul)

Datum uitspraak: 17 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] , op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Hoogstraaten en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S.M. Nolte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leiden, althans in Nederland, een bromfiets en/of een kentekenplaat, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2 hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leiden een voertuig, te weten een bromfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 99 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,26 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.

3 De bewijsbeslissing

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen standpunt ingenomen.

3.3 De gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.

3.4 Bewijsoverwegingen

Op 22 april 2026 is de verdachte, als bestuurder van een bromfiets, staande gehouden door de politie. Een bekende van de verdachte zat op dat moment achter op de bromfiets. Op vragen van de verbalisant werd verklaard dat de bromfiets eigendom zou zijn van ene [naam 1] . Die naam kwam niet overeen met de tenaamgestelde van het kenteken van de bromfiets. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de bromfiets eerder die dag was gestolen in Leiden. Van die diefstal is aangifte gedaan. De kentekenplaat die op de bromfiets zat, bleek weer afkomstig te zijn van een andere bromfiets, en eveneens te zijn gestolen. Van de diefstal van de kentekenplaat is ook aangifte gedaan.

De verdachte heeft tijdens het onderzoek en ter terechtzitting wisselend verklaard over de herkomst van de bromfiets. Aanvankelijk verklaarde de verdachte dat de bromfiets eigendom zou zijn van [naam 1] . In zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat de bromfiets eigendom was van de persoon die achterop zat. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de persoon die achterop zat, de bromfiets had gestolen ergens in Merenwijk, in Leiden. Dat komt overeen met de plaats van de diefstal, zoals die blijkt uit de aangifte.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de motor van de bromfiets liep terwijl er geen sleutel in het contactslot zat en dat het sleutelgat van het contactslot volledig was verwijderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het starten van een bromfiets een sleutel nodig is. De bromfiets is dus kennelijk gestart zonder sleutel. De verdachte heeft de motor, bij de politiecontrole, uitgeschakeld door bij het achterwiel een filter los te halen, waardoor de motor stopte. Hieruit blijkt dat de verdachte ook wist dat er geen sleutel in het contactslot zat. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets waar hij op reed, en daarmee ook de daarop bevestigde kentekenplaat, door een misdrijf was verkregen. De rechtbank acht schuldheling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal voor het onder feit 2 ten laste gelegde, het rijden onder invloed, volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit en de officier van justitie heeft voor dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Voor de bewezenverklaring van feit 2 gebruikt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:

  • De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;
  • Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL1500-2026141191-3, opgemaakt op 22 april 2026;
  • Een geschrift, te weten de uitslag van het bloedonderzoek, van Eurofins Forensics, d.d. 22 mei 2026;
  • Het proces-verbaal rijden onder invloed, proces-verbaalnummer PL1500-2026141157-1, opgemaakt op 4 juni 2026.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1 hij op 22 april 2026 te Leiden een bromfiets en een kentekenplaat voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2 hij op 22 april 2026 te Leiden een voertuig, te weten een bromfiets, heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol 99 microgram cocaïne per liter bloed en 0,26 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van een straf of maatregel

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar wordt opgelegd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet passend is aangezien de verdachte niet open staat voor begeleiding en behandeling in het kader van een ISD-maatregel, en dat de beoogde doelen van de ISD-maatregel ook kunnen worden bereikt door oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf of een voorwaardelijke ISD-maatregel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling door op een bromfiets te rijden, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die van diefstal afkomstig was. Hierdoor heeft hij meegewerkt aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit die door de maatschappij als zeer ergerlijk wordt ervaren, namelijk de diefstal van vervoermiddelen. De verdachte heeft daarmee een gebrek aan respect voor andermans eigendom laten zien. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol en cocaïne. Het is algemeen bekend dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van alcohol en verdovende middelen negatief worden beïnvloed. Daarmee heeft de verdachte in het verkeer een potentieel gevaarlijke situatie voor zichzelf en voor anderen in het leven geroepen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 juni 2026. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 30 april 2026 (reclasseringsadvies raadkamerzitting voorlopige hechtenis) en van 3 juli 2026 (reclasseringsadvies rechtszitting). Tijdens de terechtzitting is mevrouw [naam 2] , de opsteller van het reclasseringsadvies van 3 juli 2026, gehoord als getuige-deskundige. Zij heeft het advies en de conclusies daarvan bevestigd.

De reclassering ziet op nagenoeg elk leefgebied van de verdachte risicofactoren die het risico op recidive hoog maken. De bewezenverklaarde feiten maken onderdeel uit van een delictpatroon, wat vermoedelijk in relatie staat met zijn middelengebruik, sociaal netwerk en houding. Er is sprake van een schuldenlast. De verdachte heeft geen structurele dagbesteding, begeeft zich in een negatief netwerk en er is sprake van problematisch middelengebruik en een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is verdachte recent zijn huisvesting kwijtgeraakt omdat hij te vaak gedetineerd zit en doelen (daardoor) niet worden behaald.

De reclassering adviseert het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria

De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-criteria van artikel 38m Wetboek van Strafrecht voldoet. Feit 1 zoals bewezenverklaard kwalificeert als schuldheling, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 29 juni 2026 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het dit feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. Het thans bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte voldoet aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en ook meermalen voor rijden onder invloed. Tegen de verdachte zijn in de afgelopen vijf jaar processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.

Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.

De reclassering heeft gerapporteerd dat de eerdere justitiële interventies niet hebben geleid tot het uitblijven van delictgedrag. De verdachte heeft een negatieve houding ten aanzien van begeleiding en hulpverlening. Door de structureel niet-meewerkende en ambivalente houding van de verdachte stagneerde de uitvoering van bijzondere voorwaarden, en wordt een dergelijk kader door de reclassering dan ook niet uitvoerbaar geacht. De verdachte heeft zich eerder niet aan voorwaarden en afspraken met de reclassering gehouden. De reclassering heeft in juni 2025 het schorsingstoezicht teruggemeld en in november 2025 de voorwaardelijke veroordeling teruggemeld. De reclassering heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben dat de verdachte zich wel gaat houden aan toekomstige afspraken en voorwaarden. Gebleken is dat ambulante behandelingen moeizaam van de grond zijn gekomen, abstinentie is mislukt en recidive niet is voorkomen.

Net als de verdediging neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel als ultimum remedium moet worden ingezet. Uit de adviezen van de reclassering blijkt dat er momenteel geen mogelijkheden zijn om met voorwaarden en/of toezicht binnen een voorwaardelijk kader de risico’s (op recidive) te beperken. Gezien de reclasseringsadviezen, het strafblad van de verdachte en de houding van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er momenteel geen reële alternatieven zijn, en dat de onvoorwaardelijke ISD-maatregel als ultimum remedium moet worden ingezet.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat een ISD-maatregel niet zinvol en doelmatig is omdat de verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken aan behandeling. Uit de wet en de wetsgeschiedenis volgt immers dat het (primaire) doel van een ISD-maatregel is om, vanuit het oogpunt van bescherming van de samenleving, de vicieuze cirkel van opsluiten-vrijlaten-veroordelen-opsluiten te doorbreken, mede door het plegen van nieuwe delicten feitelijk onmogelijk te maken. Die situatie doet zich hier voor.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij acht de rechtbank het belangrijk om voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de terechtzitting een vordering aangebracht tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 44 dagen, opgelegd bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 28 juli 2025 met parketnummers 09-001198-25 en 09-174376-25. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van deze vordering.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging verzocht. Daartoe is aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf al is bevolen bij vonnis van de politierechter van 25 juni 2026 in de zaak met parketnummer 09-001198-25.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie af. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van die vordering op dit moment niet opportuun is, mede gelet op de op te leggen maatregel.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

-38 m, 38n, 57 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht; -8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1

schuldheling;

ten aanzien van feit 2

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

legt de verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet bij de tenuitvoerlegging van deze maatregel in mindering gebracht zal worden.

vordering tot tenuitvoerlegging

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-001198-25.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Y. van Gameren,voorzitter, mr. M. Rootring,rechter, mr. G. Kuijper,rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen en mr. E. Six,griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2026.