ECLI:NL:RBOBR:2026:6403 Rechtbank Oost-Brabant , 07-09-2026 / 01-148911-26
Samenvatting
De Rechtbank Oost‑Brabant, meervoudige kamer te ’s‑Hertogenbosch (parketnr. 01.148911.26), heeft op 7 september 2026 vonnis gewezen in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1988, ingeschreven te [adres 1], thans gedetineerd te [verblijf plaats]). Het geding betrof een terechtzitting van 24 augustus 2026; de dagvaarding dateert van 20 juli 2026. De officier van justitie vorderde een onvoorwaardelijke ISD‑maatregel van twee jaar; de verdediging (raadsvrouw) verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke ISD‑maatregel.
Tenlastelegging
- Feit 1: op of omstreeks 24 mei 2026 te Eindhoven wegnemen van voeding en drogisterijproducten uit de [supermarkt] (locatie: [adres 2]) met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen (diefstal).
- Feit 2: op of omstreeks 24 mei 2026 te Eindhoven wederrechtelijk binnendringen in het besloten lokaal van de [supermarkt] aan [adres 2], terwijl aan verdachte per schriftelijke beschikking van 7 september 2025 voor 12 maanden toegang was ontzegd (lokaalvredebreuk).
Bewijs en bewezenverklaring De rechtbank achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De belangrijkste bewijsmiddelen waren de bekennende verklaring van verdachte ter zitting (24‑08‑2026), een aangifteproces‑verbaal namens de supermarkt (24‑05‑2026) en een getuigenverhoor (24‑05‑2026); aanvullend politiedossiermateriaal (p.9‑12) ondersteunde feit 2. Verdediging voerde geen vrijspraak aan; de officier van justitie had eveneens tot bewezenverklaring gerekwireerd.
Kwalificatie en strafbaarheid De bewezen feiten werden gekwalificeerd als diefstal (feit 1) en wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal in gebruik door een ander (feit 2). Er werden geen omstandigheden gevonden die strafbaarheid uitsluiten; verdachte is strafbaar bevonden.
Maatregel (ISD) — juridische motivering De officier vorderde toepassing van de ISD‑maatregel op grond van artikelen 38m en 38n Sr. De rechtbank overwoog systematisch of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan: (a) het delict is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan; (b) verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan het delict ten minste driemaal onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf; (c) verdachte valt binnen de OM‑richtlijn voor meerderjarige veelplegers (meerdere processen‑verbaal binnen vijf jaar, meer dan tien misdrijven, minstens één binnen de laatste twaalf maanden). Deze criteria waren volgens het strafblad en het Uittreksel Justitiële Documentatie (14‑07‑2026) vervuld.
De rechtbank nam voorts het reclasseringsrapport van 10‑08‑2026 mee: verdachte heeft problemen op vrijwel alle leefgebieden (geen stabiele huisvesting, forse verslavingsproblematiek, ADD, genderdysforie, periode van psychotische ontregeling), is zorgmijdend en vaak onder invloed; eerdere reclassering en behandelaanbod waren niet uitvoerbaar vanwege onbereikbaarheid en gebrek aan motivatie. Verdachte verklaarde ter zitting niet meer te willen stelen maar geen motivatie te hebben te stoppen met drugsgebruik en wilde in vrijheid middelen blijven gebruiken (o.a. geld vergaren via het rapen van statiegeldblikjes). Reclassering schatte het recidiverisico en de kans op onttrekking aan voorwaarden als hoog.
Gelet op het hoge recidiverisico, de ineffectiviteit van eerdere sancties en hulpaanbod, de ernstige zorg- en verslavingsproblematiek en het beschermingsbelang van de samenleving, oordeelde de rechtbank dat een onvoorwaardelijke ISD‑maatregel noodzakelijk en proportioneel is; een voorwaardelijke maatregel was volgens de rechtbank een gepasseerd station.
Uitspraak De rechtbank verklaarde de tenlastegelegde feiten bewezen, sprak verdachte schuldig aan diefstal en wederrechtelijk binnendringen en legde een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op voor de maximale duur van twee jaren. De beslissing is gegrond op artikelen 38m, 38n, 138 en 310 Sr.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor diefstal en lokaalvredebreuk, oplegging ISD-maatregel.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht
Parketnummer: 01.148911.26
Datum uitspraak: 7 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1988] , ingeschreven te [adres 1] (post- of correspondentieadres), thans gedetineerd te: [verblijf plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1 zij/ hij op of omstreeks 24 mei 2026 te Eindhoven voeding en/of drogisterijproducten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [supermarkt] (locatie: [adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2 zij/ hij op of omstreeks 24 mei 2026 te Eindhoven in het besloten lokaal te weten een winkel/ supermarkt (locatie: [adres 2] ) bij [supermarkt], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was haar/hem, verdachte, met ingang van 7 september 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel/ supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring.
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2026;
- Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] namens [supermarkt], opgemaakt op 24 mei 2026, p. 5-6;
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , opgemaakt op 24 mei 2026, p. 13-14.
- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2026;
- Het proces-verbaal aanvullend met bijlagen, opgemaakt op 24 mei 2026, p. 9-12.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en lokaalvredebreuk op 24 mei 2026 in Eindhoven.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1
2
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van maatregel
De officier van justitie heeft oplegging van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de wettelijke termijn van 2 jaren gevorderd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De raadsvrouw heeft oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke ISD-maatregel bepleit. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is volgens de raadsvrouw niet zinvol en doelmatig, nu verdachte geen motivatie heeft om mee te werken aan behandeling.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van producten uit de [supermarkt] in Eindhoven en lokaalvredebreuk bij voornoemde supermarkt. Dit zijn hinderlijke feiten. Diefstallen veroorzaken veel overlast en schade.
Zoals blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juli 2026 is verdachte het afgelopen jaar veelvuldig veroordeeld tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en taakstraffen. Deze veroordelingen hebben echter niet het gewenste effect bereikt. Verdachte blijft immers hardnekkig recidiveren.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 10 augustus 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De reclassering signaleert problemen op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte kent geen stabiele huisvesting en er is sprake van forse verslavingsproblematiek. Verdachte kampt met ADD en genderdysforie. Daarbij was er de afgelopen periode sprake van psychotische ontregeling. Verdachte is veelal zorgmijdend en veelvuldig fors onder invloed van middelen. De afgelopen periode is er intensief en op out-reachende wijze geprobeerd om verdachte toe te leiden naar passende hulpverlening, maar tevergeefs. Ook aan het eerder opgelegde reclasseringstoezicht kon geen uitvoering gegeven worden omdat verdachte uit beeld was. De reeds ingezette hulpverlening en een eerder opgelegd reclasseringstoezicht hebben niet geleid tot gedragsverandering ofwel het voorkomen van recidive. De reclassering schat de kans op recidive en op het onttrekken aan voorwaarden als hoog in.
De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie een ISD-maatregel opleggen als aan de in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde vereisten is voldaan. In dit kader stelt de rechtbank het volgende vast.
Het door verdachte begane feit is een strafbaar feit, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is, volgens het op hem betrekking hebbende Uittreksel Justitiële Documentatie, in de vijf jaren voorafgaand aan het nu begane feit ten minste driemaal wegens misdrijven onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. Het huidige feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. De veiligheid van personen en goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een ISD-maatregel, gelet op het hoge recidiverisico. Verdachte is in het afgelopen jaar herhaaldelijk veroordeeld voor diefstallen. Daarbij zijn hem meerdere keren voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Dit alles heeft hem er niet van kunnen weerhouden opnieuw te recidiveren. De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nu noodzakelijk om het recidiverisico terug te dringen, mede gelet op de problematiek van verdachte. Uit het dossier blijkt dat er veel is geprobeerd om behandeling en begeleiding voor verdachte op te starten. Verdachte was echter niet begeleidbaar en uit beeld voor de reclassering. Ter zitting heeft verdachte verklaard niet meer te willen stelen, maar geen motivatie te hebben om te stoppen met drugsgebruik. Verdachte wil het liefst in vrijheid drugs kunnen gebruiken en de middelen hiervoor dagelijks bij elkaar sprokkelen met het rapen van statiegeldblikjes. Het is voor de rechtbank duidelijk dat het verdachte niet lukt om op eigen kracht behandeling aan te gaan of te stoppen met drugsgebruik, waardoor het recidiverisico hoog blijft. De kans dat verdachte opnieuw gaat stelen om het drugsgebruik te bekostigen zodra hij uit detentie komt, is groot. Ook de kans op het onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. De rechtbank is daarom van oordeel dat een voorwaardelijke ISD-maatregel, zoals bepleit door de verdediging, een gepasseerd station is. Verdachte heeft behandeling nodig, wat binnen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte geboden kan worden. Ook dient de maatschappij te worden beschermd tegen het voortdurend crimineel gedrag van verdachte.
De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen voor de maximale termijn van twee jaren.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen: 38m, 38n, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1 diefstal; feit 2 in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende maatregel:
een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.
Dit vonnis is gewezen door: mr. E.C.L. Pechaczek, voorzitter, mr. H.M. Hettinga en mr. S.S. Arendse, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier, en is uitgesproken op 7 september 2026.