ECLI:NL:RBDHA:2026:26833 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.50063
Samenvatting
De rechtbank (eenkamer) te Den Haag beoordeelde in zaak NL26.50063 het beroep van [eiser] tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van art. 59, lid 2 Vreemdelingenwet 2000. Het besluit tot bewaring was genomen op 22 juli 2026; de rechtbank had reeds bij uitspraak van 30 juli 2026 in zaak NL26.41415 geoordeeld dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 28 juli 2026. Omdat de bewaring op 18 augustus 2026 door de minister werd opgeheven, beperkte de beoordeling zich tot de periode 28 juli 2026–18 augustus 2026 en de vraag of gedurende die periode onrechtmatig is vastgehouden en of op grond van art. 106 Vw schadevergoeding toekomt.
Procesverloop: de minister overlegde een voortgangsrapportage waarop eiser niet heeft gereageerd; de rechtbank sloot het vooronderzoek per 2 september 2026 en bepaalde geen mondelinge behandeling.
Feiten en bewijs uit de voortgangsrapportage: op 29 juli 2026 vond een vertrekgesprek met eiser plaats; op 31 juli 2026 werd een vluchtaanvraag verzonden; een vlucht was gepland voor 6 augustus 2026 maar op 5 augustus 2026 geannuleerd wegens indiening van een asielverzoek door eiser; op 15 augustus 2026 verklaarde de IND de asielaanvraag niet-ontvankelijk; de minister besloot na belangenafweging de bewaring op 18 augustus 2026 op te heffen.
Beoordeling en motivering: de eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat er geen zicht op uitzetting bestond. De rechtbank wijst deze stelling af. Gelet op de concrete stappen (vertrekgesprek, vluchtaanvraag, geremde vluchtdatum door asielaanvraag, later non-ontvankelijkverklaring) was de minister gedurende de getoetste periode voldoende voortvarend bezig met uitzetting en bestond er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Een ambtshalve toets bracht evenmin aanwijzingen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor bewaring niet zou zijn voldaan. Aangezien de bewaring vóór behandeling van het verzoek tot opheffing reeds was beëindigd en eiser in zijn beroepschrift geen verzoek tot schadevergoeding had gedaan, is toekenning van vergoeding niet aan de orde.
Beslissing: het beroep tegen het voortduren van de maatregel wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen schadevergoeding en geen proceskostenvergoeding. Uitspraak door mr. S.N. Abdoelkadir; griffier mr. N. Felić. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
bewaring, vervolgberoep, toetsingskader, beoordeling, ambtshalve toetsing, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50063
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
**de minister van Asiel en Migratie, verweerder. **
Procesverloop
Met het besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
Verweerder heeft op 18 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 juli 2026 (in de zaak NL26.41415) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 28 juli 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 juli 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 28 juli 2026 tot 18 augustus 2026 (de dag van opheffing van de bewaring).
3. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat er geen sprake was van zicht op uitzetting.
3.1. De rechtbank volgt deze stelling niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder met eiser een vertrekgesprek heeft gevoerd op 29 juli 2026 en dat er op 31 juli 2026 een vluchtaanvraag is verzonden. De beoogde vluchtdatum stond gepland op 6 augustus 2026, maar is op 5 augustus 2026 geannuleerd in verband met eisers asielverzoek. Op 15 augustus 2026 is de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van een belangenafweging heeft verweerder besloten de maatregel per 18 augustus 2026 op te heffen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, tot aan de opheffing van de maatregel, voldoende voortvarend aan de uitzetting van eisers heeft gewerkt en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond.
3.2. De rechtbank ziet in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. In het beroepschrift is geen verzoek om schadevergoeding gedaan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.